De geboorte van de tragedie – Friedrich Nietzsche4 min read

De geboorte van de tragedie was het eerste boek van Nietzsche, gepubliceerd in 1872 als verse, achtentwintigjarige hoogleraar filologie aan de universiteit van Bazel. Al in de openingszin introduceert Nietzsche de begrippen Apollinisch (de droom, verhalende en beeldende kunst) en Dionysisch (de roes, oerkracht, muziek), waarnaar sindsdien zo vaak is verwezen. Bij een schrijver als Vestdijk, van wie Nietzsche zijn ‘lijfauteur’ was, behoorde deze tweeledigheid tot de kern van zijn kunstbeschouwing (zie bijvoorbeeld Vestdijks gedicht ‘Apollinische Ode’ uit 1938).

Op onnavolgbare manier beschrijft Nietzsche de opkomst van de goden Apollo en Dionysus bij de Oude Grieken, hun betekenis, symbolische waarde en hun onderlinge verhoudingen. De Griekse tragedie werd, sterk vereenvoudigd gezegd, volgens Nietzsche geboren uit een samensmelting van beide krachten als mysterieuze eenheid. Dit was van grote betekenis, ‘want alleen als esthetisch fenomeen is het bestaan en de wereld voor eeuwig gerechtvaardigd.’

Slechts in die mate waarin het genie deel heeft aan het artistieke scheppingsproces en met de oerkunstenaar van de wereld versmelt, komt hij iets aan de weet over het eeuwige wezen van de kunst; want in die toestand lijkt hij op wonderbaarlijke wijze op die griezelige sprookjesfiguur die de ogen naar binnen kan draaien en zichzelf kan gadeslaan; hij is dan object en subject tegelijk, dichter, toneelspeler, en toeschouwer in één persoon.

Nietzsche plaatst vervolgens de muziek hoger dan de lyriek, de taal:

De poëzie van de lyricus kan niets uitdrukken wat niet reeds met een ontzaglijke algemeenheid en universele geldigheid in de muziek besloten lag die hem tot beeldspraak aanzette. De taal kan op geen enkele manier volledig vat krijgen op de wereldsymboliek van de muziek, omdat de laatste de oertegenspraak en de oerpijn in het hart van het oer-ene symboliseert, en dus een sfeer symboliseert die aan elke verschijning voorafgaat en elke verschijning overstijgt.

Maar al met Euripides kreeg het intellectuele, Socratische element de overhand. Daarmee begint wat Nietzsche de Alexandrijnse cultuur noemt, met ‘een monsterlijk gebrek aan elk mystiek talent.’ Met Socrates doet de theoretische mens zijn intrede, met zijn ‘geloof in de kenbaarheid van de natuur der dingen’ en met een ernstige waanvoorstelling:

namelijk het onwankelbare vertrouwen dat het denken aan de leiband van de causaliteit kan doordringen tot de diepste afgronden van het Zijn, en dat het denken in staat is het Zijn niet alleen te doorgronden, maar zelfs te corrigeren.

Nietzsche stelt de diagnose (in mijn eigen woorden simplistisch samengevat) dat de Duitse cultuur uit zijn tijd nog steeds lijdt onder deze onevenwichtigheid. Maar hij roemt Kant en Schopenhauer, die aantoonden dat het optimisme van de wetenschap tegen zijn grenzen was gelopen. Schopenhauer vroeg aandacht voor de Wil als oerdrang. Nietzsche bouwt daarop voort met zijn visie op en pleidooi voor de herwaardering van het Dionysische.

In de muziek van Richard Wagner zag Nietzsche op dat moment zijn ideaal verwezenlijkt. Muziek als bron van metafysische troost. Zoals vertaler Hans Driessen in het nawoord schrijft, is het boek mede ontstaan vanuit Nietzsches idolate bewondering voor Wagner. De componist was de Messias, Nietzsche zijn apostel. Hans Driessen:

De Duitse muziek en de Duitse filosofie zouden elkaar, in een mysterieuze eenheid, aanvullen en wederzijds bevruchten, en er zou iets ontstaan wat beiden vurig wensten, een herleving van de Griekse cultuur zoals die gestalte had gekregen in de klassieke tragedie.

Enige tijd na de publicatie van dit boek zou het bondgenootschap tussen beide genieën eindigen in wrok en verbittering. Achteraf beschouwd zal ook voor Nietzsche zelf zijn vertrouwen in de Duitse muziek wat naïef aandoen, laat staan zijn gedweep met Wagner tegen het einde van het boek.

Dit laatste neemt niet weg dat ook deze eerste proeve van Nietzsche, die zeker niet tot zijn hoogtepunten wordt gerekend, al ontelbare duizelingwekkende inzichten en profetische waarheden bevat. Vaak lijkt hij commentaar te geven op zaken die zich in onze tijd voordoen. Wat te denken van dit fragment:

De Alexandrijnse cultuur heeft een slavenstand nodig om op den duur te kunnen existeren; maar vanuit haar optimistische visie op het bestaan ontkent ze de noodzaak van zo’n stand en gaat daarom, wanneer haar prachtige, verleidelijke en kalmerende woorden omtrent de ‘menselijke waardigheid’ en ‘de waardigheid van de arbeid’ zijn uitgewerkt, een gruwelijke ondergang tegemoet. Er is niets angstaanjagender dan een barbaarse slavenstand die geleerd heeft zijn bestaan als een onrecht te beschouwen en zich opmaakt om niet alleen voor zichzelf, maar ook voor alle voorgaande generaties wraak te nemen.

Hans Laurentius schrijft in zijn boek Aan de leiband, of je eigen pad dat hij bij het lezen van Nietzsche een gevoel van opwinding krijgt, ‘van opnieuw beginnen met nadenken en kijken en leven.’ En zo is het ook. Een boek van Nietzsche tot je nemen is niet gewoon een kwestie van ‘een boek lezen’, het is een ervaring.

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.