De heilige Rita – Tommy Wieringa3 min read

Het nadeel van schrijvers die veel in de publiciteit staan is dat je vaak al een oordeel over ze hebt voordat je een boek van hen hebt gelezen. Zo vond ik wel wat van Tommy Wieringa, en het was niet positief. Met die instelling begon ik aan zijn boek De heilige Rita.

Natuurlijk zocht ik bevestiging van mijn vooroordelen; niets menselijks is mij vreemd. Al snel kwam ik een nogal gezochte vergelijking tegen: ‘De avond was fris, er hing een zweem van bleekselderij over het gras.’ Bevestiging. Wat nou ‘een zweem van bleekselderij’? En wat heeft dat te maken met een frisse avond? Of met gras? Pfff…

En ja hoor, wat een eigendunk, wat voelt die kale zich toch weer verheven boven gewone mensen: ‘Je wist niet of het mocht, dat zulke mensen zich voortplantten, maar het onheil was al geschied; buiten het toezicht van een of andere instantie hadden ze hun ongeluk tweemaal vermenigvuldigd.’

Ik las: ‘Hij (…) had een vaag verlangen naar een tijd lang voor zijn geboorte,’ en schreef met potlood in de kantlijn: waarom geen komma? Zijn komma’s uit de mode? Wat is dit?

Toch moest ik toegeven: de dialogen zijn erg goed. Hmmm, sommige beschouwingen eigenlijk ook wel.

Soms is zijn vader in de stemming om te praten. Hij weet dingen die hij gewoonlijk verzwijgt, en misschien voor zijn leerlingen bewaart. Dat er op Jupiter een eeuwige storm woedt, die al gaande was toen hij geboren werd en nog altijd zal voortrazen als hij zijn laatste adem uitblaast. Dat de kameel een dubbele rij wimpers heeft en zijn neus tegen het zand kan afsluiten. Dat hazen na hun geboorte een paar dagen geurloos zijn.

Ik merkte op dat Tommy Wieringa in dit boek wel blijk geeft van een gezonde kijk op het socialisme van de DDR: ‘(…) het systeem had weinig meer dan apathie bij de arbeiders en corruptie bij partijbestuurders teweeggebracht; zonder economische prikkel was niemand meer vooruit te branden.’

En nogmaals, de dialogen zijn echt niet verkeerd. Niet elke schrijver kan natuurlijk overkomende dialogen schrijven; als je erop let, is dat maar weinigen gegeven.

Ze schonk koffie uit een thermoskan. ‘En jij, Paul, vrouw, kinderen?’ En met een lach die ze niet uitstootte maar leek in te ademen: ‘Huisje, boompje, beestje?’
‘Nee hoor, niks,’ zei Paul. ‘Ik woon nog altijd met m’n vader.’
‘Da’s toch niet niks? Dat kan heel waardevol zijn, toch juist? Hoe oud is je vader?’
‘Achtenzeventig.’
‘Is hij nog goed?’
‘Mwoch.’ Hij schommelde met zijn hand.
‘Dus jij zorgt een beetje voor hem? Wat een geluk voor ‘m, zo’n zoon! En voor jou is het natuurlijk heel dankbaar, dat je dat voor hem kunt doen.’
‘Och. ‘t Is zoals ‘t is, zeg maar.’
‘Nog altijd even nuchter hè, Paul?’

Paul is de eeuwige vrijgezel die nog bij zijn vader woont, in het oosten van Nederland, tegen de Duitse grens aan, de streek waar Wieringa opgroeide. Paul belandt in het bed van de vrouw van het bovenstaande gesprekje. Maar dat is geen succes. Het is niet hetzelfde als bij de dames in de seksclub in Duitsland, die hij af en toe bezoekt (met Rita als favoriet). ‘Het oudere vrouwenlichaam, begreep hij, moest met de handen worden beroerd, niet met de ogen.’

Wieringa heeft een mooie en geloofwaardige schets van het leven van dit soort mannen in de provincie. ‘De tijd stond hier helemaal niet stil, zoals hij gedacht had, hij knaagde. Hij vrat alles aan.’ Wieringa heeft oog voor de tragiek en tegelijk ook mededogen. ‘Achter de ramen probeerden de mensen hun verlangens zo veel mogelijk in overeenstemming te brengen met hun mogelijkheden.’ De verloedering van de grensstreek is ook een motief. Deze roman is gelaagd en heeft een goede verhaallijn.

Nu ik het boek uit heb, kan ik niet anders zeggen dan dat dit een geslaagde roman is. Je kunt zeggen van Tommy Wieringa wat je wilt, maar schrijven kan hij wel.

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *