De laatste eeuw van Indië – J.A.A. van Doorn7 min read

‘Wat was Indië? Indië was Nederlands grootste avontuur.’ Zo begint het boek De laatste eeuw van Indië, Ontwikkeling en ondergang van een koloniaal project van J.A.A. van Doorn (1925 – 2008). Hij diende als dienstplichtig soldaat tussen 1947 en 1950 de dekolonisatieoorlog in Indonesië en hield daar een levenslange fascinatie voor deze geschiedenis aan over.

Dit boek publiceerde Van Doorn in 1994, als emeritus hoogleraar sociologie, een kwart eeuw na zijn baanbrekende studie Ontsporing van geweld (samen met Wim Hendrix).  Als socioloog gebruikt hij veel statistieken. Sommige cijfers blijven verbazingwekkend, zoals het feit dat de Nederlanders in Indië op het hoogtepunt in 1930 slechts 0,34 procent van de totale bevolking uitmaakten.

Het ging in om 208.000 Nederlanders op een totaal van (destijds) 60 miljoen zielen, verspreid over 17.000 eilanden. In voorgaande eeuwen van dominantie was dat percentage nog een stuk lager. Zo weinig mensen en toch die uitgestrekte archipel beheersen. Het is, door de bril van het heden, beslist moreel laakbaar, zoals ook het optreden van de Romeinen in Europa naar huidige maatstaven niet is goed te praten, maar in zekere zin was het ook knap.

Daarbij wist men het eilandenrijk zelfs ‘winstgevend’ te besturen, wat op zichzelf ook een prestatie was. Zeker als men zich bedenkt dat het moderne Indonesië rijst en soja moet importeren om de eigen bevolking te voeden. Tegelijk is het al een indicatie dat kolonisatie, met zo weinig eigen mensen zo veel miljoenen onder de duim houden en daar ook veel geld aan verdienen, onmogelijk zonder uitbuiting en dwang kan gebeuren en dus intrinsiek slecht is.

Toch had het koloniale bewind vooral vanaf 1850 ook goede bedoelingen, al was men dan natuurlijk blind voor het eigen paternalisme en het ingebouwde racisme. Het kleine aantal Nederlanders was overigens het gevolg van beleid: het was vrijwel onmogelijk om zo maar naar Indië af te reizen. Alleen ‘nuttige’ krachten kregen daartoe een vergunning. ‘De voorschriften op toelating en vestiging in Indië zijn streng en gedetailleerd.’

Het besturen van een groot en uitgestrekt rijk als Nederlands-Indië is iets heel anders dan dat van een klein en overzichtelijk land als Nederland. Dat geldt nog steeds. In zekere zin en deels zijn de problemen van de huidige Indonesische regering vergelijkbaar met die van het Binnenlands Bestuur van destijds. Zowel vroeger als nu had de regering moeite met het bedwingen van de pan-islamitische en (in iets mindere mate) met de pan-Chinese stroming, de eerste gevoed vanuit het Midden-Oosten, de tweede vanuit China.

Zowel de geschiedenis van het laat-koloniale Indië als van het vroeg-onafhankelijke Indonesië demonstreren het feit dat etnische wortels en culturele loyaliteiten méér dan politieke ideologie of economisch belang, beslissend zijn voor de vraag hoe mensen zich collectief identificeren.

Dit blijkt bijvoorbeeld ook steeds meer in het huidige multiculturele Nederland, denk aan de demonstrerende en met grote vlaggen zwaaiende Turkse Nederlanders op de Erasmusbrug. In die zin is deze sociologische benadering van het sterk multiculturele Indië nog altijd relevant voor onze huidige maatschappelijke uitdagingen.

De tijdgeest van 1994 was wel anders dan die van nu (2022). Van Doorn kon nog tamelijk vrij spreken over kolonisatie en de problemen ervan, zonder dat hij zich gedwongen voelde er steeds een morele disclaimer aan toe te voegen (zoals ik in de derde alinea van dit stukje – en zelfs dat is waarschijnlijk voor sommigen niet genoeg).

Wat is zelf altijd wonderlijk vind is hoe koloniale Nederlanders heel diepgaand bijvoorbeeld de Javaanse cultuur in kaart brachten en bestudeerden zonder daarbij de Javanen zelf te betrekken. Des te vreemder omdat het niet bepaald gaat om grotbewoners in berenvellen maar om een eeuwenoude, verfijnde cultuur. Van Doorn probeert een verklaring te vinden:

Aan de ene kant staat de vanzelfsprekendheid van gezaghebbend Nederlands optreden, aan de andere kant de even vanzelfsprekende bereidwilligheid van de inheemse bevolking om orders op te volgen. Het een versterkt het ander: de regeerdrift en regelzucht, het streven naar perfectie, de ethische zendingsdrang en ambtelijke ordeningsbehoefte van de Nederlanders worden door de onderdanigheid en inschikkelijkheid, de geringe weerbarstigheid, de mengeling van nonchalance en hoffelijkheid van de Javanen tegelijk uitgelokt, bevestigd en gerechtvaardigd.

In zijn poging om de langdurigheid van de bezetting van de archipel te begrijpen typeert Van Doorn ook de kolonisator:

Het koloniale project werd niet fors en slordig aangepakt, maar in Nederlandse stijl: nauwkeurig en netjes, ijverig en nuchter, zuinig en fatsoenlijk, fantasieloos maar gedegen.

Inmiddels zijn bij die fatsoenlijkheid wel forse kanttekeningen geplaatst, bijvoorbeeld in het boek Koloniale oorlogen in Indonesië van Piet Hagen, waarin te lezen is dat zodra er verzet kwam de ‘fatsoenlijke’ Nederlanders, van 1600 tot 1950, een overmatige portie intimidatie en geweld inzetten. Kennelijk was ‘de Javaan’ (net als de inwoners van de vele andere eilanden) toch niet altijd zo bereidwillig en inschikkelijk als Van Doorn in 1994, in weerwil van zijn eigen oorlogservaring in 1947-1950, nog aannam. Alleen vanaf 1945 werkte die aanpak niet meer.

Overigens was het ook dezelfde Van Doorn die in 1970 voor het eerst als onafhankelijke onderzoeker harde conclusies trok over stelselmatig extreem geweld van Nederlandse zijde in de dekolonisatieoorlog (zie het eerder genoemde boek Ontsporing van geweld). De laatste eeuw van Indië betreft uiteraard een veel ruimere periode. Van Doorn laat zien hoe de kolonisator in die laatste honderd jaar worstelde met de ethische kant van het verhaal en hoe men zocht naar rechtvaardigingsgronden.

Vanaf die tijd zocht men het niet in grove repressie, zoals in de tijd van Coen en ook nog in de Java-oorlog tegen Diponegero (1825-1830), maar eerder in ‘repressieve tolerantie’, een heel andere benadering dan bijvoorbeeld de Belgen in de Congo. Al valt op die repressieve tolerantie toch ook wel weer af te dingen, denk bijvoorbeeld aan de bloedige oorlog in Atjeh die duurde van 1874 tot 1904, met naweeën tot aan 1942. Toch, waar het in de tijd van de Compagnie nog enkel ging om de hoogste baten, zag men Indië in de negentiende eeuw óók als een idealistisch project, gebaseerd op (foute) ideeën van verheffing van het inheemse volk.

In de ogen van de vooruitstrevende negentiende-eeuwer, ook van Multatuli, was er sprake van een soort vader-kind-relatie. Men besefte wel dat het kind ooit op eigen benen zou komen te staan, maar achtte de tijd daarvoor nog lang niet rijp. De hele bloedige tragedie van 1945 – 1950 was eigenlijk nog steeds op dat achterhaalde beeld gegrondvest. Men zag de verheffing als een morele plicht en vond daarin tegelijk een excuus:

‘Ontwikkeling’ als koloniale doelstelling kon vele Nederlanders een bevredigende rechtvaardiging van hun aanwezigheid verschaffen: altruïsme op basis van eigen superioriteit. Opvoeders plegen zichzelf als maatstaf te nemen en koloniale opvoeders doen dat in dubbele mate.

Tussen 1850 en 1942 hielden de Nederlandse bestuurders uit een mengeling van opportunisme (‘bestuurlijk het grootste effect met de minste beleidskosten’) en ‘vaderlijkheid’ de feodale tradities in stand. Men ging daarin zelfs zo ver dat men op Bali de hindoecultuur beschermde tegen de ‘schennende hand’ van de christelijke zending.

De kolonialisten wilden conserveren en restaureren en Leidse onderzoekers bestudeerden daartoe diverse talen en culturen tot in de kleinste details. In de woorden van Jacques van Doorn was er sprake van een ‘warme interesse en sympathie voor het inheemse’. Daarbij werden ook de minder fraaie kanten van het feodale systeem in stand gehouden, zoals de herendiensten, dat is de verplichte arbeid van inwoners voor de plaatselijke sultans en vorsten.

In de laatste hoofstukken richt Van Doorn zich op het einde van Nederlands-Indië, of eigenlijk beter gezegd: de daarmee overlappende eerste chaotische jaren van de Republiek Indonesië. Daarbij doet hij bijvoorbeeld een eerste aanzet tot een verkenning van de positie van de koloniale ondernemers, de planters, in die jaren.

Ook besteedt hij aandacht aan de zogenaamde dolkstootlegende, die in de jaren ’50 van de twintigste eeuw is ontstaan en nog steeds leeft in de kringen van sommige oud-strijders. Men meent dat het Nederlandse leger (KNIL en KL) destijds het Nederlandse gezag kon herstellen, maar dat men na de inzet (en bijhorende offers in de vorm van verlies van manschappen) vanuit ‘politiek Den Haag’ met een dolk in de rug werd gestoken door de erkenning van de onafhankelijkheid. Die theorie is inmiddels definitief ontkracht, zie onder vooral het boek Over de grens van het NIOD uit 2022 .  

De waarde van het boek van Van Doorn is dat hij vanuit verschillende gezichtspunten en met een rustige pen, los van de waan van de dag, ‘Indië’ bekijkt. Het draagt bij aan een beter beeld van die periode, hoewel het laatste woord er nog lang niet over gesproken is.   

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.