De nakomer – Maarten ’t Hart6 min read

Veel meer dan Gerard Reve is Maarten ’t Hart een echte volksschrijver. Hij heeft ontzettend veel boeken verkocht, ook bijvoorbeeld in Duitsland, en door zijn vele televisieoptredens en columns was hij tot voor kort misschien zelfs wel een Bekende Nederlander. Dat alles zal er wel toe hebben bijgedragen dat hij niet bepaald een lieveling is van de vaderlandse literaire elite. Het zal deels ook wel de kift zijn.

Wat te denken van zijn romans? Dat ga ik de komende tijd onderzoeken. Ik ben tamelijk willekeurig begonnen, en wel met de roman De nakomer, verschenen in 1996. De schrijver voert in dit boek een apotheker op, genaamd Simon Minderhout, die eerder al voorkwam in  de roman Het woeden der gehele wereld.

Deze Simon wordt geboren in Groningen, groeit op in Drenthe en neemt een apotheek over in – hoe kan het ook anders? – Maassluis. Zowel hij als zijn vader hebben veel weg van Maarten ’t Hart zelf, zoals we hem hebben leren kennen via de media. Veel van ’s schrijvers bekende liefhebberijen en stokpaardjes zijn dan ook in het boek verwerkt, zoals gereformeerde mensen, Maassluis en de andere gemeenten langs de Nieuwe Waterweg en het antisemitisme in de Duitse filosofie door de eeuwen heen, met Luther voorop en zelfs Goethe.

Maarten ’t Hart haalt in de roman enkele gedichten aan die hem getroffen hebben, waaronder die van de Russische dichter Blok. Eén regel vormde waarschijnlijk de inspiratie voor de setting van deze roman: ‘Nacht, apotheek, lantaren, straat.’

Ook lezen we uitgebreid over klassieke muziek met beschrijvingen van de ervaring van de hoofdpersoon bij het beluisteren van specifiek genoemde werken, zoals het vioolconcert in e-klein van Felix Mendelssohn en de Prélude, Fugue et Variation van César Franck Als je die werken opzet tijdens het lezen, heb je een roman met een soundtrack, net als in de Victor Slingeland-trilogie van de door ’t Hart bewonderde Simon Vestdijk. Over de zesde symfonie van Anton Bruckner schrijft ’t Hart:

Al voor het adagio aanving, was de coda van het eerste deel een openbaring gebleken. Het slot straalde een onoverwinnelijke rust uit, deed kond van een wonderbaarlijke sereniteit, iets wat zich blijkbaar in een mens, in deze wonderlijke, neurotische Anton Bruckner, had kunnen manifesteren, alle last en moeite van het leven ten spijt, een voorsmaak van de hemelse zaligheid waarin God alles zou zijn in allen. En daarna begon dat trage, trage adagio, met die langzaam afdalende hobo, als om Mendelssohn duidelijk te maken dat een melodie niet altijd hoeft te stijgen. Bruckner, dat had hij toen beseft, was het tegendeel van Mendelssohn, Bruckner was zo’n trage, logge, aardse figuur, zo iemand die overal de tijd voor had, zo iemand die de rusteloosheid niet kende.

Maarten ’t Hart laat niet na zijn Bijbelkennis weer uitgebreid te etaleren in deze roman. Zo is een terugkerend thema het verhaal uit Genesis 18:6 van God die op de deur van Abrahams tent klopt, waarna Sara voor Hem pannenkoeken bakt met drie maten meelbloem. De HEERE zei tijdens het eten tegen zijn gastheer: ‘Sara, uw huisvrouw, zal een zoon hebben!’ Daar moesten ze wel om lachen, want ‘Abraham nu en Sara waren oud, en wel bedaagd’, maar Zijn wil geschiedde en Sara kreeg op hoge leeftijd een zoon, net als de moeder van de hoofdpersoon in deze roman. Vandaar de titel: De nakomer.

De roman speelt deels in de oorlog. Dat geeft Maarten ’t Hart ruimte om het historische bombardement van Maassluis op 18 maart 1943 te beschrijven. Van alle plaatsen in het boek, Groningen, Maassluis en Schiedam, geeft hij telkens precies de wandelroute van de personages aan, met alle straatnamen. Dat hoeft voor mij niet zo. Het is alsof de auteur met zijn vinger over de stadsplattegrond schuivend zit te schrijven, een beetje gekunsteld.

Evenmin overtuigend vind ik de dialogen in het boek. Zo spreekt de vader op zijn sterfbed de volgende tekst uit:

Ik heb altijd gedacht dat het mij, al heb ik m’n hele leven gezegd dat het niet erg is om dood te gaan, toch zwaar zou vallen om ’t einde onder ogen te zien, maar ’t valt me waarachtig een eind mee, nou ja, ze maken ’t me ook wel makkelijk, af en toe worden de pijnscheuten mij zo rijkelijk toebedeeld dat ik bar graag van ’t leven af wil.

Dat iemand dat zo in een brief schrijft, kan ik me voorstellen. Maar zulke zinnen uit de mond van een grijsaard die ligt te creperen ik me minder goed voorstellen. Over de hele linie vind ik de stijl niet sterk. Het boek staat bol van ouderwetse woorden als reeds, dikwijls, steevast, veeleer, niet zodra, vernuftig, enzovoorts. In Maassluis werd in de oorlogsjaren niet gesproken, nee, er werden ‘conversatiën gevoerd’. Verder gebruikt de schrijver tot vervelens toe het stijlbloempje ‘zoveel was zeker …’.

Op zichzelf wel grappig, maar misschien ook iets te overdadig, zijn de talrijke rijmpjes van de vader van de hoofdpersoon (maar in werkelijkheid vermoedelijk van de vader van de auteur), zoals: De mens is zot tot op het bot; Da’s grote pracht, maar weinig macht; Hoe eerder gebeten, hoe eerder versleten; Voor elke zoen, boete doen; Ongesteld maakt onbemind, ongesteld maakt zonder kind.

In het tweede deel van het verhaal wordt de nu oude Simon Minderhout opeens beschuldigd van het verraden van een verzetsgroep in de oorlog. Dat is meteen landelijk nieuws. De beschreven geschiedenis wordt hier bepaald ongeloofwaardig. Iedereen met wie Simon in zijn jonge jaren omging wordt in praatprogramma’s en kranten aangehaald en zelfs voorbijgangers op straat, tegen wie hij terloops een opmerking maakte, weten zich dat allemaal nog precies te herinneren. Daarbij wordt alles dusdanig wordt geïnterpreteerd dat de beklaagde schuldig lijkt, terwijl de lezer weet dat hij dat niet is.

Qua verhaal over waarheid en leugen in de oorlog, zoals op de achterflap is vermeld, staat De nakomer wel heel sterk in de schaduw van Willem Frederik Hermans‘ niet te overtreffen De donkere kamer van Damokles. Maar zo moet je een roman van Maarten ’t Hart ook niet lezen, denk ik. Het is eerder een kapstok voor de schrijver om al zijn oude en nieuwe inzichten aan op te hangen, waarvan ik er hierboven al een paar heb genoemd. Al lezend leer je, zoals over de kerkstrijd die tijdens de oorlog woedde in Schiedam:

Het bleef iets ongelofelijks dat, terwijl de hele wereld in brand stond, zo’n dwaze hersenschim als de veronderstelde wedergeboorte zoveel twist en tweedracht kon opleveren. Naarmate hij meer te weten kwam over de achtergronden van het conflict, begreep hij ook steeds beter dat er méér in het geding was dan een leergeschil. De echte, geharde Kuyperianen waren vaak pro-Duits, en beriepen zich, zelfs als zij niet sympathiseerden met de NSB, soms toch op Romeinen 13, waar stond dat je de van God gegeven overheid onverkort diende te gehoorzamen. De Schilderianen waren fel anti-Duits en vonden dat Romeinen 13 in dit geval absoluut niet van toepassing was. Van kapper Molenaar, die zich er trots op liet voorstaan dat hij van alle Waterwegdominees de ‘ligging’ zoals hij dat noemde, ‘haarfijn’ kende, vernam hij dat dominee Helmstrijd ‘zo’n typisch Romeinen-13-mannetje was. Een onverschrokken synodaal, verklaard tegenstander van dominee Vonk, met veel aanhangers in de Schiedamse Gorzen en de Schiedamse konijnenbuurt.’

Kortom, alle ingrediënten voor een onvervalste Maarten ’t Hart zijn aanwezig in De nakomer. Ondanks de genoemde tekortkomingen is het daardoor voor hen die de interesses van Maarten ’t Hart delen toch een onderhoudend en lezenswaardig boek.

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.