De nieuwe man – Thomas Rosenboom2 min read

Onder hedendaagse schrijvers zijn er maar weinig die zo mooi kunnen schrijven als Thomas Rosenboom. De nieuwe man is daar een prachtig voorbeeld van. De hoofdpersoon Berend Bepol, eigenaar van een kleine scheepswerf in Groningen, houdt van fraaie metaforen:

‘Als de toekomst een reiziger onderweg is, dan zal ik mijn tafel voor hem dekken…’ fluisterde hij deemoedig, daarna moest hij zich vastgrijpen aan de vensterbank en kreunde hij van filosofie.

Ook Rosenboom zal onder het schrijven af en toe stilletjes hebben gekermd van wellust bij het neerpennen van zijn vergelijkingen, vergeten woorden oppoetsend om ze glanzend in te leggen in de kroon op zijn werk, en ook de welwillende lezer slaakt af en toe een zucht van genot.

Het is niet alleen stijl. De inhoudelijke beschrijving van situaties en personages is meesterlijk en leidt tot gedenkwaardige volzinnen als deze:

Maar voor hij naar buiten keek begroette Bepol uit pure vriendelijkheid altijd eerst even zijn volle, door voorspoed en tevredenheid getekende gezicht in de spiegel boven het planchet – hij was al jaren achter elkaar tevreden, zijn tevredenheid had zich op den duur in hem verstokt van een stemming tot een karaktereigenschap, een gelaatstrek en een principe: hij geloofde in tevredenheid, zoals hij ook in de toekomst geloofde – daarna pas liep hij door naar het raam, dwars tegen de eeuwige herrie van buiten in, die wolk van hamerslag die altijd boven de werf hing, die hagelbui van kogels die zich met het geluid van een mitrailleur van zonsopgang tot zonsondergang op het terrein ontlaadde, dat constante, toch onregelmatige trommelvuur van voorhamers, bolhamers, zethamers en klinkhamers op het ijzer, soms wat zachter, dan opeens wild aanzwellend, alsof iemand de vijand zag – het was een zó intens doordringend geluid overal, dat het niet eens harder klonk wanneer Bepol het gordijn wegschoof en het raam opende.

Op deze manier, vanuit een schuilplaats, zonder zelf gezien te worden (althans dat denkt hij) bespiedt en beluistert Bepol de mensen om hem heen. Een klein puntje van kritiek is gericht op het laatste hoofdstuk, dat als een post scriptum vertelt hoe het verder ging, en passant enkele mysteries uit het verhaal verklarend. Dat had wellicht achterwege kunnen blijven.

Afgezien daarvan niets dan lof. Thomas Rosenboom, die ons vanaf de achterflap zelfverzekerd aankijkt als een blozende jongeman, babyvet nog op de wangen, tevreden bijna als Bepol in het bovenstaande fragment – 2003 is toch langer geleden dan ik dacht – schreef een heerlijke roman, niet meer vertoond sinds Waterman van Arthur van Schendel, een grandioze tragedie.

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.