De passievrucht – Karel Glastra van Loon4 min read

Na een aantal ‘on-Nederlandse’ romans gelezen te hebben, hoewel toch van Nederlandse schrijvers, als Louis Ferron en J. Slauerhoff, was mij vanaf de eerste bladzijden duidelijk dat De passievrucht een heel Nederlandse roman is. Het is lastig om er precies de vinger op te leggen, maar het heeft te maken met de thematiek en de algehele sfeer. Nederlandse romans gaan vaak over relaties.

Misschien is het bij boeken net als bij foto’s: ook al blijkt het niet uit de afbeelding, je ziet alleen al aan het licht dat de foto in Nederland is gemaakt. Of Nederlanders in het buitenland: je haalt ze er van grote afstand tussenuit, zonder dat je precies kunt zeggen hoe je dat weet. Een groot compliment is het meestal niet, als iets of iemand direct herkenbaar Nederlands is. Maar waarschijnlijk is dat op zichzelf al weer typisch Nederlands.

De stijl van De passievrucht is ‘literair’. Wel goed, maar… ‘literair’. Zoals deze passage:

Eerste keren vergeet je niet gauw, maar de rest… Mijn geheugen is als het werk van een drankzuchtige archivaris: het vertoont gaten en verdichtingen, de kaartenbakken zijn omgevallen, de fiches in haast weer bijeengeraapt. Soms is er maandenlang niets verzameld, dan weer is er koortsachtig maar lukraak gewerkt. Er is een ladekast vol herinneringen, maar waar zijn de herinneringen die mij kunnen helpen bij het beantwoorden van die vragen die mij nu uit mijn slaap houden? Wie is de vader van mijn zoon? Met wie ging mijn dode geliefde vreemd? En vooral ook: waarom? Hoe kan het dat ik nooit iets heb gemerkt, dat ik nooit de geringste argwaan heb gehad? Of was die er wel, maar heeft de dronken archivaris die herinneringen onder het tapijt geveegd, uit het raam gekieperd, opgestookt in de allesbrander?

Over het menselijk geheugen gesproken: het boek staat al minstens twintig jaar in mijn boekenkast. ‘Ako Literatuurprijs 1999’, staat er op de voorkant. Ik weet zeker dat ik het destijds gelezen heb, maar ik herinner me er niets van. Ook tijdens het lezen en na afloop geen enkele herkenning. Zo kwam de ontknoping, die ik niet zal verklappen, voor mij toch weer onverwacht.

Zes jaar na het uitbrengen van dit succesvolle boek was Karel Glastra van Loon dood. Frappant is dat de dood en mensen die sterven voordat ze oud zijn een grote rol spelen in deze roman.

‘De dood hoort bij het leven, Mo’, had ik gezegd, ‘daar is niks vreemds of wreeds aan. Straks wil dat joch een hamster, en zo’n beestje gaat natuurlijk veel te snel dood, dus kan hij maar beter vertrouwd zijn met het feit dat dieren doodgaan. En mensen trouwens ook.’ (Hoe kon ik weten wat er te gebeuren stond? Bovendien: ik kende toen de tekst uit het evangelie van Philippus nog niet die luidt: ‘In deze wereld is er goed en kwaad. Maar het goede in de wereld is niet werkelijk goed. En het slechte in haar is niet werkelijk slecht. Maar in deze wereld is er één kwaad dat werkelijk kwaad is. Het wordt het midden genoemd. Het is de dood.’ Ik heb Bo nooit meer voorgelezen uit Fulgor de Steenarend.)

De schrijver heeft zijn roman boordevol gestopt met ‘Cijfers. Feitjes. Weetjes.’ Veel wetenschappelijke dingen. Tot vervelens toe. Al zitten er soms ook leuke weetjes bij, zoals het feit dat een man, die vreemdgaat met een vrouw die zelf ook een (andere) vaste partner heeft, twee keer zo veel spermacellen als normaal ejaculeert. Zijn organisme probeert daarmee de spermatozoïden van de vaste partner van die vrouw te verdringen en zo de kans op eigen nageslacht te vergroten. Een deel van die extra spermacellen heeft de functie om die van de vaste partner te vernietigen. ‘Oorlogvoeren zit de mens dus wel degelijk in de genen.’

Naast dat soort feitjes zitten er (ondanks mijn eigen vergeetachtigheid) ook memorabele zinnen in het boek, zoals deze: ‘Ik heb een hekel aan ‘de vooruitgang’ – het is een versleten excuus voor lelijkheid.’

Ook is er een fraai citaat over een piepende meerkoet dat hier niet onvermeld mag blijven:

Het water van de Ringvaart is zwart en onrustig. Valwinden laten de golven alle kanten op schieten. Een meerkoet zwemt luid piepend en met zijn kop laag over het water naar een onnozele, bontgekleurde eend. Als hij de stadsvogel tot op enkele meters is genaderd zet hij een sprint in. Zijn gelobde poten jakkeren door het water en hij klappert met zijn vleugels zodat het water rondom hem opspat. De eend vliegt op onder luid protest. De meerkoet zwemt nog even wat rond op de plek die hij op de indringer heeft veroverd, alsof hij zich ervan wil vergewissen dat de eend werkelijk weg is en het gevaar geweken. (Welk gevaar? Waarom zien meerkoeten toch in alle andere vogels een bedreiging? Volstrekt paranoïde zijn ze. Maar misschien dat ze daarom wel zo goed overleven in de stad.)

Dit soort gedachten tussen haakjes vormen kennelijk ook een stijlkenmerk van deze roman. Ik heb er eerlijk gezegd niet zo veel gevoel bij, misschien is het geheel me te Hollands en te gewoon. Maar dat deze roman een paar mooie zinnen en interessante weetjes bevat is al meer dan je van menig ander boek kunt zeggen.

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.