De stille kracht – Louis Couperus3 min read

Extaze van Louis Couperus vond ik maar een flauw boek vol navelstaarderig geneuzel, maar De stille kracht is andere koek: broeierig en sensueel en sans gêne beschrijvende een promiscue vrouw met aanzien. Zij stelt zich niet tevreden met een saai huwelijksleven en kiest in het geheim de jongemannen uit die met haar het bed mogen delen.

Een andere vrouwelijke hoofdpersoon, artistiek, trouw aan haar man, vindt geen voldoening in het moederschap. In de tropen, waar een klein gezelschap Nederlanders woont in een voor hen vreemde wereld, als in een verbanningsoord, heeft zij veel heimwee naar Europa, dat in die tijd veel verder weg was dan nu. Een brief naar familie in het moederland deed er vijf weken over per stoomboot.

Het is in die laatste, gevoelige vrouw waarin we naar ik vermoed veel van de schrijver zelf kunnen herkennen. Als een van de eersten heeft Couperus oog voor de waanzin, de inherente slechtheid van het kolonialisme. Van Oudijck, als resident eens met hart en ziel meedraaiend in dit wrede systeem vol schone schijn, nu aan het eind van zijn leven teruggetrokken in de natuur en eindelijk berustend-gelukkig met een inheemse vrouw en kindertjes, laat hij zeggen:

Arm Indië, wat schelden ze er niet op. Het land kan het toch niet helpen, dat er Kaninefaten op zijn grond zijn gekomen, barbaarse veroveraars, die maar rijk willen worden en weg… En als ze dan niet rijk worden… dan schelden ze op de warmte, die God het van den beginne gegeven heeft… op het gemis aan voedsel voor ziel en geest… ziel en geest van het Kaninefaat. Het arme land, waarop zo gescholden is, zal wel denken: Was weggebleven!

Van Oudijck heeft op dat moment zijn blanke overheerserskostuum van zich afgeworpen en leeft als Indonesiër tussen de Indonesiërs. Maar te lang heeft hij meegedaan om geheel te worden verlost van het kwade geweten dat overheersers kwelt in exotische gebieden. Door de verhouding meester versus knecht is een werkelijke ontmoeting van mens tot mens met de lokale bevolking onmogelijk. Dat voedt de angst. De Hollanders waren nooit helemaal op hun gemak, altijd bang voor een opstand, voor de voor hen zo geheimzinnige gebruiken van de ‘inlanders’, voor de goena-goena, voor de stille kracht.

De lokale bevolking werd uitgebuit, economisch en op andere manieren: alle hoge heren hadden een paar buitenechtelijke kinderen in de dessa. Adellijke Javaanse families werden beurtelings gepaaid en vernederd. De verontwaardiging van Multatuli was dat een inheemse hoogwaardigheidsbekleder, die misbruik maakte van zijn macht, niet hard genoeg werd aangepakt door de koloniale autoriteiten. In De stille kracht lezen we juist over een resident die onverbiddelijk is en de lokale prinselijke familie straft en vernedert. Het is allebei fout, en de fout zit in het kolonialisme zelf.

Couperus, artistiek en sensibel voelt aan dat ook de verlichte resident, nog in functie, in de geest van de (niet met name genoemde) Multatuli, activistisch en idealistisch, ondanks al zijn streven voor het recht van ‘de Javaan’, uiteindelijk vooral uit hemzelf komende hersenschimmen najaagt:

Wat hij nu wilde bereiken was een ideaal, een ideaal van westerling in het Oosten, en van westerling, die het Oosten zag, zoals hij het graag zien wilde en alleen zien kon.

Van een echt begrijpen is geen sprake. Niet begrijpen maakt bang. Niet alleen de ‘ondoorgrondelijke’ Indonesiër, zelfs de serene natuur joeg de verwarde vreemdelingen angst aan:

(…) dat wat schuilt in de grond, wat sist onder de vulkanen, wat aandonst met de verre winden mee, wat aanruist in de regen, wat aandavert met de zwaar rollende donder, wat aanzweeft van wijd uit de horizon over de eindeloze zee, dat wat blikt uit het zwarte geheimoog van de zielsgeslotene inboorling, wat neerkruipt in zijn hart en neerhurkt in zijn nederige hormat, dat wat knaagt als een gift en een vijandschap aan lichaam, ziel, leven van de Europeaan, wat stil bestrijdt de overwinnaar en hem sloopt en laat kwijnen, en versterven, heel langzaam sloopt, jaren laat kwijnen, en hem ten laatste doet versterven, zo nog niet dadelijk tragisch doodgaan: zij voelden het beiden, het Onuitzegbare…

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *