De vuuraanbidders – S. Vestdijk4 min read

Deze historische roman is behoorlijk dik, maar blijft tot het einde toe spannend. Zoals altijd bij Vestdijk zijn er diverse lagen en verhaallijnen. Net als bijvoorbeeld Rumeiland is dit een boek met veel spanning en actie.

Het verhaal begint in Leiden, rond 1618. Vanwege het Twaalfjarige Bestand worden er al een tijdje geen grote veldslagen meer uitgevochten in Holland. Toch is er geen vrede. Prins Maurits voert een strijd om de macht met zijn vroegere beschermheer, Van Olde Barneveldt. De laatstgenoemde vertegenwoordigt de stadse elite, met Remonstrantse sympathieën. Deze stroming was losser en gematigder dan die van de Contraremonstranten: steil in de leer en strikt vasthoudend aan het leerstuk van de predestinatie. De orthodoxen hadden vooral aanhang onder het volk en in de provincie. In Leiden werd de strijd aangevoerd door twee theologische hoogleraren en predikanten, Arminius en Gomarus. Aanvoerder Maurits zat in het kamp van strenge Contraremonstranten.

Van deze stof weet Vestdijk weer een boeiend en levendig verhaal te maken. Het eerste deel speelt in Leiden. De hoofdpersoon groeit op in een Contraremonstrants gezin en gaat regelmatig op pad om ruiten in te gooien bij leden van de Remonstrantse minderheid. Alles wordt anders als hij verliefd wordt op de dochter van de dominee bij wie hij zojuist ‘de ramen heeft doen spreken’.

De zon maakte haar gezicht goudachtig en hard; haar ogen puilden nog sterker uit dan ik mij van de eerste maal herinnerde. Ik wist niet of ik teleurgesteld moest zijn of verrukt. Zij liep met het bovenlichaam iets achterover, hetgeen niets uitdagends had, veeleer aan een vermoeide opofferingsgezindheid deed denken. Mijn groet was beantwoord, ze moest mij herkend hebben. In haar uiterlijk was iets geweest, dat mij, dwaas genoeg, de zandstenen leeuw op het Stadstimmerhuis in de herinnering riep, waar ik vroeger met mijn vader wel stond te kijken, op dagen dat het met de affuiten misgelopen was: dat korrelige en gewichtloze en haast vergeefse van de zandstenen was ook aan haar gezicht eigen; de zon sloeg erop, en alles vlamde en gloorde, geelachtig, goudachtig, zonder nochtans tot uitbundig leven te worden gewekt. Het was een gezicht van iemand met een geweldig verantwoordelijkheidsgevoel, dat vooralsnog op niets betrekking heeft; het gezicht van een goede moeder zonder kinderen, of van een koningin zonder koninkrijk.

Intussen woedt in Duitsland op veel grotere schaal een oorlog tussen protestante en katholieke mogendheden. Voor een deel werd deze strijd vanuit Nederland gefinancierd. De hoofdpersoon sluit zich aan en belandt uiteindelijk in het belegerde Heidelberg. De legers bestonden uit huurlingen, die niet betaald werden. Hun beloning bestond uit de toestemming om veroverde (of bij gebrek daaraan zelfs bevriende) gebieden te plunderen. Vestdijk beschrijft ISIS-achtige gruweldaden.

Mede als gevolg van wat hij ziet en meemaakt, verliest de hoofdpersoon zijn geloof. Hij beschouwt godsdienst nu als een soort ziekte.

Alle godsdienstige mannen, die ik tot dusverre had ontmoet, waren door deze afwijking tot wreedaards, kwelgeesten, betweters, huichelaars of sukkels geworden.

De belevenissen in de oorlog zijn enorm spannend en opwindend. Het is knap hoe Vestdijk na de terugkeer in Leiden meteen het tempo aanpast aan de Hollandse gezapigheid. Net als de hoofdpersoon moet de lezer, gewend aan kruitdamp en actie, weer wennen aan de trage, kleinsteedse bedaardheid.

Dan komt er langzaam maar zeker een grandioze finale op gang en eindigt het boek als een explosie, ‘in bloed en vuur en rook-damp’.

Jeanne van Schaik-Willing noemde De vuuraanbidders in 1947 een ‘geloofsbelijdenis van een ongelovige’ en zei verder:

Deze trits en tritsen van verbeeldingen, straattaferelen, binnenhuisjes, krijgstonelen, taveernscènes, stadsgezichten, natuurbeschrijvingen, deze anecdotes en stillevens, die in een groter overvloed dan bij de uitbundigste Rubens over deze bladzijden zijn gestrooid, werden gegroepeerd om een intrige, een intrige die in eersten aanleg de allure heeft van een avonturenroman in den trant van ‘de graaf de Monte Christo’ of ‘de drie Musketiers’.

De beschrijvingen van de oorlog en de gedachten over de onmogelijkheid van het bestaan van een god houden ongetwijfeld verband met de tijd waarin Vestdijk dit boek schreef, in de tweede helft van 1944, zich schuil houdend, bij het licht van een olielampje. Ondanks de wellicht ogenschijnlijk ‘droge’ stof is het een meeslepend boek. Diepgang, romantiek, spanning en ook humor; alle ingrediënten zijn aanwezig en meesterlijk uitgewerkt.

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.