Dode zielen – Gogol2 min read

Zeden en gebruiken zijn gebonden aan plaats en tijd, maar mensen blijven mensen. Goede literatuur bewijst dat, en dat geldt zeker voor dit boek uit 1842, geschreven door een Rus (al heet diens geboortestreek nu Oekraïne). Weinig schrijvers weten de menselijke zwakheden zo herkenbaar te beschrijven als Gogol.

In de vertaling van Aai Prins is Dode zielen een sprankelend boek. De stijl is ironisch en vol zijdelingse opmerkingen van de verteller, bijvoorbeeld dat hij niet weet wat er op een gegeven moment in het hoofd van de knecht omging, of een afkeurend betoog over het gebruik van vreemde woorden. De hoofdpersoon loopt ‘met kleine, snelle stapjes, ook wel dribbelpasjes geheten’, en er viel tussen twee personen iets voor ‘dat ook wel het een en ander wordt genoemd.’ Ergens stelt de schrijver: ‘Hoe het werkelijk in elkaar stak – geen flauw idee; laat de lezer die daar aardigheid in heeft het verhaal liever zelf afmaken.’

In het nu samengekomen beraad heerste een opvallend gebrek aan iets onontbeerlijks, dat door het gewone volk ook wel ‘gezond verstand’ wordt genoemd.

Met mededogen, maar tegelijk onverbiddelijk laat de schrijver zien hoe dom, lui en incompetent mensen vaak zijn. Bijvoorbeeld hoe roddels zich verspreiden en steeds uitzinniger worden. Gogol pleit tussen de regels voor telkens voor gezond verstand en tegen dikdoenerij.

In gerechtelijke aangelegenheden en geschillen bleken al die juridische subtiliteiten die zijn professoren en filosofen hem hadden bijgebracht helemaal nergens goed voor te zijn. Zowel de ene als de andere partij loog, de duivel werd er nog geen wijs uit. En hij zag dat je aan eenvoudige mensenkennis meer had dan aan juridische subtiliteiten en filosofische boeken; ook zag hij dat er aan hemzelf iets schortte, maar wat het was – wist hij het maar.

Na een keur van uiteenlopende gekken natuurgetrouw te hebben weergegeven komt Gogol, met zijn hoofdpersoon eindelijk aan bij een verstandig mens, de landheer Kostanzjoglo.

Maar de wijze lessen van deze landheer zijn als paar’len voor de zwijnen voor de hoofdpersoon Tsjitsjiskov, een soort oplichter zoals vroeger in Nederland heer Olivier, die met zijn charmante voorkomen rijke weduwen in de luren legde.

Zulke bedriegers zie je trouwens niet meer zo veel, lijkt me. Althans niet als kleine zelfstandige; ze zitten nu allemaal in de politiek of zijn opinieleider. Wie ze wil herkennen, of een spiegel voorgehouden wil krijgen, moet Gogol lezen.

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.