Geschiedenis van Indonesië – Dr H.J. de Graaf18 min read

De bekendste vroegere Nederlandse historicus na Johan Huizinga is waarschijnlijk Pieter Geijls. Van hem is de beroemde uitspraak dat geschiedenis een discussie zonder eind is. Dat blijkt anno 2022 weer na de publicatie van de studie over extreem geweld van het Nederlandse leger in Indonesië in de onafhankelijkheidsoorlog.

De inzichten veranderen en het laatste woord is nooit gezegd. Dat betekent niet dat oudere geschiedenisboeken hun waarde verliezen, zolang je ze maar leest met de gedachte van Pieter Geijls in het achterhoofd.  

De Rotterdammer H.J. de Graaf (1899 – 1984) studeerde geschiedenis in Leiden. Vervolgens nam hij een baan aan als geschiedenisleraar op de HBS in Soerabaja. Op de heenreis per schip las hij over de geschiedenis van de Indonesische archipel en dat onderwerp zou hem nooit meer loslaten. In Batavia specialiseerde hij zich in de Javaanse geschiedenis, taal en cultuur.  Na een onderbreking in Nederland om in Leiden te promoveren, vestigde hij zich als leraar in Soerakarta, waar hij voortdurend onderzoek deed.

Tijdens de Japanse bezetting werd De Graaf geïnterneerd in verschillende kampen, gescheiden van zijn vrouw, die in het vrouwenkamp stierf door honger en uitputting. Na zijn vrijlating nam hij zijn wetenschappelijke werk weer op en na een kort verblijf in Bandung kreeg De Graaf een aanstelling aan de nieuwe Universitas Indonesia in Jakarta. Daar schreef hij zijn Geschiedenis van Indonesië, dat in 1949 werd gepubliceerd.

Ondanks de uitgave van dit nieuwe standaardwerk werd De Graaf niet gepromoveerd tot hoogleraar. Dat en de verslechterende veiligheidssituatie voor Nederlanders leidde in 1950 tot zijn definitieve terugkeer naar Nederland. Daar zette hij zijn werk voort, waarbij hij zich concentreerde op Java en het rijk Mataram, een onderwerp waarop hij ook was gepromoveerd. Op latere leeftijd gaf hij daarnaast nog studies uit over de vroege verspreiding van de islam in Indonesië en over de geschiedenis van de Molukken.  

Het boek Geschiedenis van Indonesië uit 1949 is nog altijd prettig leesbaar. Dit werk behandelt de geschiedenis van de archipel, vanaf de vroegste tijden tot aan het begin van de Japanse bezetting in december 1941. Er staat dus niets in over de dekolonisatieoorlog of de republiek Indonesië. Voor de geschiedenis van de oude rijken gebruikte De Graaf de originele ‘inheemse’ geschiedbronnen. Juist op dat punt heeft dit boek nog altijd veel te bieden, aangezien dat deel natuurlijk niet of minder is geschreven vanuit het gezichtspunt van de Europese indringers.

Voor zover het gaat om de rol van de Nederlanders als veroveraar en kolonisator van Indonesië is uiteraard wel te zien dat De Graaf in de jaren veertig nog (te) weinig afstand kon nemen van het koloniale standpunt. Hoewel De Graaf zonder enige twijfel nauw samenwerkte met Indonesische historici en hij voor alle Indonesische volkeren respect aan de dag legt, spreekt er uit de tekst toch een zekere vanzelfsprekendheid van de Nederlandse aanwezigheid in de archipel en een zekere trots dat ‘wij’ in veel gevallen de Portugezen, Spanjaarden en Engelsen te slim af waren.

Het siert De Graaf dat hij zich zelfs toen al bewust was van zijn onvermijdelijke subjectiviteit. In zijn voorwoord schrijft hij daarover:

De ontmoeting tussen Oost en West is hier te lande (hij bedoelt: Indonesië) helaas niet zonder botsingen verlopen, in de Archipel evenmin als daarbuiten. Naar het opzettelijk verdoezelen van onaangename episoden – en in welke volksgeschiedenis ontbreken zij? – is niet gestreefd. Een jarenlange, tot dankbaarheid stemmende ervaring heeft echter geleerd, dat een openhartige uiteenzetting, waarbij ernstig getracht is, niet om de zaken fraaier voor te stellen dan zij waren, maar om opzettelijke partijdigheid te vermijden en ieder het zijne te gunnen, een williger oor vindt, dan een wantrouwen wekkende geheimhouding, of een angstvallige voorzichtigheid.

Voor de lezer blijkt De Graaf al snel een geboren verhalenverteller. Een bont paneel van legenden, koningen, de opkomst en de ondergang van allerlei rijken wordt geschetst. Wel zou je kunnen zeggen dat het vooral over Java gaat en minder over de zeventienduizend andere eilanden van Indonesië. Maar het is natuurlijk ook een feit dat de archipel sinds het grote rijk Majapahit in de veertiende eeuw werd gedomineerd door Java.

Dat laatste is misschien nog steeds het geval. Correspondent Michiel Maas schrijft in maart 2021 op LinkedIn over dit ‘Java-centrisme’ in het hedendaagse Indonesië: ‘volgens de critici in de buitengewesten is het land in 1945 van een Nederlandse een Javaanse kolonie geworden.’

De heersers in Indonesië waren vanaf het begin der geschiedschrijving handelaars in specerijen. De eerste vreemdelingen kwamen uit India. Zij vestigden een hindoestaanse cultuur, waarvan de oude tempels, zoals de Boroeboedoer, en de vele gebruiken en aan het sanskriet ontleende woorden in de moderne Indonesische taal nog getuigen. In hun kielzog kwamen de boeddhisten en Chinezen. Tegelijk kwam de opkomst en ondergang van grote koninkrijken op Java.

Aan de kusten groeide de handel met Arabieren. Dit was het begin van de islamisatie van Indonesië, een proces dat ongehinderd doorging in de ‘Nederlandse tijd’ en dat vanaf het einde van de vorige eeuw, na de val van de seculiere dictator Soeharto, in een enorme stroomversnelling kwam. Dat proces kent dus een lange geschiedenis. Al in de middeleeuwen kregen de koningen in de archipel de Arabische titel sultan (eigenlijk uitgesproken als: soeltan), zoals de befaamde sultan Agung.

De eerste Europeanen die zich lieten zien waren de Portugezen, vanaf de laatste jaren van de vijftiende eeuw. Zij hadden een manier gevonden om Kaap de Goede Hoop te ronden en zo plaveiden zij de weg voor de Spanjaarden, de Engelsen en de Hollanders. De Portugezen veroverden Malakka, het huidige Maleisië. Dit was ‘de poort van China en de Molukken, de sleutel tot het specerijen-monopolie’.

In 1522 bouwden de Portugezen de eerste buitenlandse vesting op de Molukken. Specerijen vormden handelswaar zoals later de olie; enorme bedragen waren ermee te verdienen en hierom werden alle oorlogen gevoerd.

Sedert eeuwen leverden enige kleine eilandjes der Molukken, eenzaam aan de grens der bekende wereld gelegen, kostbare specerijen, die tot in Europa gewild waren. Men had ze daar nodig, niet slechts in de keuken voor het kruiden der spijzen, doch ook in de apotheek als geneesmiddel, en zij werden nergens elders gevonden dan juist daar: de kruidnagel op Ternate en omgeving, de muskaatnoot in de Banda-archipel.

Op de markt in Lissabon kochten Nederlandse zeevaarders de specerijen om deze in het noorden te verhandelen. In 1580 kwam daaraan een einde door de verovering van Portugal door Spanje. Vanwege de Tachtigjarige Oorlog verbood de Spaanse koning de handel met de Nederlanders.

Door middel van bedrijfsspionage en durfkapitaal gingen de Nederlanders de kruiden toen zelf ophalen. Ene Jan van Linschoten had zes jaar lang in Portugese dienst gewerkt en hij kende de geheime route. Een groep Amsterdamse investeerders lanceerde vervolgens de eerste expeditie naar de Oost onder leiding van Cornelis de Houtman uit Gouda.

In die tijd was het een soort reis naar de maan. Pas na een barre zeereis van meer dan vier jaar kwamen ze meer dood dan levens aan bij Bantam, een koninkrijk op het noordwesten van Java. Mede door het ruwe optreden van De Houtman kwamen ze terug met weinig handelswaar. Van de 247 opvarenden hadden slechts 87 de expeditie overleefd.

Toch pakte men door en er werd een nieuwe missie voorbereid. De tweede reis werd zeer succesvol en de winst was groot: de aandeelhouders zagen hun inleg verdubbeld. Ook de koning van Bantam was tevreden met de handel en hij gaf de kapitein een brief mee voor diens vorst, prins Maurits.

Vanaf dat moment kwamen er steeds meer particuliere initiatieven voor expedities. Raadspensionaris Johan van Olde Barneveldt zag dat deze particuliere expedities elkaar beconcurreerden en zo de Portugezen en Spanjaarden in de kaart speelden. Hij nam in 1602 het initiatief tot het oprichten van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC). Door middel van een octrooi kreeg de VOC het alleenrecht (monopolie) op de vaart naar de Oost. Overtreders van het verbod werden streng gestraft.

Om fondsen bij elkaar te brengen en om alle inwoners een kans te geven om te profiteren van de handel werden er voor het eerst in de geschiedenis aandelen uitgegeven: ‘Zelfs dienstboden en huisknechts kochten voor hun spaargeld een klein aandeel van f 50,–.’

Onder de Compagnie werd al snel de basis gelegd voor het bestuur van wat nu Indonesië heet, met in 1609 de benoeming van een gouverneur-generaal en de oprichting van de Raad van Indië. Tien jaar later volgde de stichting van de stad Batavia, het latere Jakarta, als hoofdkwartier van de VOC, door Jan Pieterszoon Coen.

In dit deel van het boek wordt de schrijver duidelijk partijdig, bijvoorbeeld als hij schrijft over de Engelsen:

Deze lieden, naijverig op het welvaren der Nederlanders, voeren in hun zog en staken, waar zij konden, een spaak in het wiel. Het onaangename was, dat de Nederlanders zich ten koste van goed en bloed een weg in het door de Portugezen afgesloten Indonesië hadden gebaand, terwijl de Engelsen, met Spanje en Portugal in vrede van de behaalde voordelen wilden profiteren, zonder hun huid te wagen. Dit achtte men klaplopen! Toen de Engelsen dan ook wilden delen in de baten van het specerijenmonopolie der Molukken, waarvoor zij ook geen vinger hadden uitgestoken om het te verwerven, stuitten zij op de koppige tegenstand der Nederlanders.

Was de koning van Bantam in eerste instantie nog blij met de handel, van vestiging nabij zijn rijk was hij niet gediend en al snel ontstond zo het eerste verzet van de lokale bevolking in de vorm van felle belegeringen van Batavia door de legers van Bantam en Mataram.

Bij de VOC stond alles intussen in het teken van de winst van de aandeelhouders. Veroveringen en kolonisatie droegen daar niet aan bij, laat staan de bekering van de lokale bevolking tot het christendom, dus daarvan was geen sprake in de begintijd. De geestelijkheid stond onder streng toezicht. ‘Al te grote bekeringsijver werd ook afgekeurd: zij mocht de goede verstandhouding met de Moslimse potentaten eens verstoren! Bovendien bleken de Islamieten zeer hardnekkig, de heidenen uiterst bijgelovig en de Chinezen bijzonder gesloten.’

In hun gebrek aan geestdrift tot het zieltjes winnen verschilden de Nederlanders sterk van de Engelsen, Spanjaarden en Portugezen. De laatste twee hadden ook nog slechte ervaringen met de Moren in eigen land en waren daardoor niet tolerant tegenover de islam. Voor de VOC maakte het weinig uit welk geloof de lokale bevolking had, zolang de opbrengst van de handel maar niet in gevaar kwam. Een ander kenmerkend verschil was dat bij de VOC de leidinggevenden geen edellieden waren, maar burgers. Vaak waren ze ook nog eens onderaan begonnen. Mannen van lage afkomst konden in de VOC snel carrière maken en het zelfs tot admiraal of gouverneur-generaal schoppen.

Het monopolie op kruidnagels werd door de VOC zwaar verdedigd tegenover de Europese concurrentie. Ook de orde onder de bevolking werd met harde hand gehandhaafd, waarbij hardvochtige methoden niet werden geschuwd. Toen er op Ambon een opstand dreigde en men erachter kwam dat een Nederlandse hulppredikant de bevolking steunde, werd deze ’s nachts opgepakt, onthoofd en gevierendeeld. Zijn lijk, of wat daarvan over was, werd ter afschrikking getoond aan de plaatselijke edellieden, de orangkaja’s. Ook dat was de ‘VOC-mentaliteit.’

De winst op kruidnagels werd gemaximaliseerd door het aanbod kunstmatig klein te houden, terwijl de wereldwijde vraag groeide. Behalve op aangewezen plaatsen mochten er nergens kruidnagels worden verbouwd. Illegale plantages die ze vonden, werden vernietigd, vaak met de planters erbij. De Ambonezen groeiden vanaf die tijd uit tot de trouwste bondgenoten van het Nederlandse gezag, bij wie ze sowieso een streepje voor hadden vanwege hun christelijke geloof en hun trouw in de strijd.

Toch is het wellicht een misvatting om te denken dat de VOC als Vikingen al rovend en plunderend door de Oost trokken. Daarvoor waren ze veel te berekenend. Alleen als laatste redmiddel werd geweld gebruikt. Maar in dat geval waren ze dan ook meedogenloos. Liever paaide men de plaatselijke vorsten en sloot men met hen een verdrag. Een voorbeeld is de jaarlijkse reis van gouverneur-generaal Rijcklof van Goens van Batavia naar de soesoehoenan van Mataram, de zoon van sultan Agung, in Jogjakarta:

Natuurlijk kwamen de Nederlanders niet met lege handen; de waarde der geschenken beliep soms tot in de tienduizenden gulden. Wanneer zij voor de keizer van Java verschenen, waren zij verplicht op de grond te zitten; als kleermakers, schreef hij later. Van Goens kon vrij aardig met de wonderlijke potentaat opschieten. Bekend is, hoe hij de despoot eens in een uitstekend humeur bracht, alleen maar door een draaiorgeltje al spelende te laten opdragen, vergezeld door een goochelaar, die zes pond kapok at en veel gekleurde linten en zelfs vuur spuwde (1652). Kort voor zijn dood wist Amangkoerat zich zijn vriend van Goens nog te herinneren.

Semerang was tot 1941 na Jepara de oudste stad in Midden-Java die onder Nederlands gezag stond, al sinds 1677. Via deze havenstad werd ook veel opium ingevoerd, waarop de VOC het alleenrecht had gekregen van de plaatselijke vorsten, en wat hen veel extra winst opleverde. Om de beste privileges te krijgen maakten de VOC’ers listig gebruik van de onderlinge strijd tussen Javaanse vorsten en binnen de families onderling, vooral als de opvolging in het geding was. Ze werden daarbij geholpen door de plaatselijke gewoonte van de sultans, zoals toegestaan binnen het islamitische geloof, om veel nageslacht te verwekken bij meerdere vrouwen en bijvrouwen. Zo waren er altijd veel concurrerende troonpretendenten. Verdeel en heers was een beproefde tactiek. Vorsten die in ongenade vielen, werden verbannen naar Ceylon of Zuid-Afrika.

De VOC heeft de teelt van koffie geïntroduceerd op Java, in 1696. De handel werd soms betwist door plaatselijke vorsten, die dan een opstand begonnen. Meestal won het leger van de Compagnie uiteindelijk de strijd, waarna de verslagen vorst een contract kreeg opgedrongen, waarin hij onder meer moest tekenen voor de terugbetaling van de kosten van de militaire actie die nodig was geweest om zijn opstand neer te slaan. In ruil kreeg hij bescherming en bepaalde privileges. In zekere zin waren deze methodes van de VOC niet anders dan die van de Siciliaanse maffia.  

Een kleine honderd jaar na de vestiging van de VOC op diverse Indische eilanden, waarin veel winst was gemaakt,  was de glans eraf. De eerste helft van de achttiende eeuw werd gekenmerkt door een periode van stagnatie en verval in de VOC. Dit werd in de hand gewerkt door de zeer zuinige lonen die werden uitbetaald en de corruptie die daarop het antwoord was. Ook waren er regelmatig opstanden vanuit de lokale bevolking, waarbij hele gezinnen van kolonisten werden vermoord.

Informatief in het boek van De Graaf zijn de uitgebreide stukken over de activiteiten van de VOC buiten Nederlands-Indië, onder meer in Malakka (Maleisië), Japan, China, Korea, Voor-Indië (India en Bangladesh), Ceylon (Sri Lanka) en Kaap de Goede Hoop in Zuid-Afrika. Hier lezen we ook dat Australië ooit Nieuw-Holland heette en dat de Fiji-eilanden door Abel Tasman de Prins Willem-eilanden werden genoemd.

Singapore heeft onder Nederlands bewind gestaan, tot het werd veroverd door Raffles en bij verdrag aan de Britten overgedragen in 1824. Door het ruilen van een Engelse nederzetting op Sumatra kwamen de Engelsen ook in bezet van Malakka (Maleisië) en daardoor is het smalle strookje zeewater tussen Sumatra en Malakka nu nog steeds de grens tussen twee staten, Maleisië en Indonesië.

In de tijd van Willem I, toen de failliete boedel van de VOC inmiddels was overgenomen door de Nederlandse staat en nadat Nederlands-Indië tijdelijk onder Brits bewind had gestaan wegens Napoleon, ging het financieel slecht met het Gouvernement.

Had de Koning op rijke baten uit het herkregen Java gehoopt, Nederlandsch-Indië kon zichzelf niet eens bedruipen, laat staan overschotten naar het Moederland zenden.

In 1924 werd de Nederlandse Handelsmaatschappij (NHM) opgericht. In zekere zin was dit een soort opvolger van de VOC. De geldnood werd prangender na de Javaanse Oorlog en nog meer na de Belgische opstand en afscheiding in 1830. Oorlogen zijn duur. Juist op dat moment meldde zich bij Willem I een man ‘die reeds een roemruchte loopbaan achter de rug had, Johannes van den Bosch.’ Hij had een plan, dat hij het Cultuurstelsel noemde.

Op papier was het plan een echte win-winsituatie: de Javaanse boeren zouden geheel vrijwillig een goede boterham kunnen verdienen (of een flinke kom rijst) en tegelijkertijd zouden de winsten voor de schatkist en de NHM, waarin de koning privé een groot aandeel had, enorm zijn. Vooral dat laatste was interessant voor de vorst. De tegenstanders werden (figuurlijk) het bos ingestuurd en de bedenker van het plan werd gouverneur-generaal. De hulp van de plaatselijke regenten (meestal oude Javaanse adel) werd, voor zover ze in de Java Oorlog trouw waren gebleven aan het Gouvernement, eenvoudigweg gekocht met hulp van Willem I:

Allen werden verrast met een ruime toekenning van onderscheidingen, ridderordes en titels. Van den Bosch werd er baron door, later zelfs graaf. Dank zij deze opwekkende middelen was spoedig het ganse B.B. [Binnenlands Bestuur, het ambtelijk apparaat van de koloniale overheerser] van hoog tot laag van geestdrift voor het nieuwe stelsel bezield.

Zo kwam er weer een ‘batig slot’ en werd Java opnieuw de kurk waarop de natie dreef. In die periode, namelijk in 1837, vond ook het enige bezoek van een Oranjetelg ooit aan Nederlands-Indië plaats, namelijk het bezoek van prins Hendrik, de derde zoon van koning Willem II, die (overigens in het boek van De Graaf niet te lezen) zichzelf privé nog flink verrijkte door investeringen in de tinwinning in Nederlands-Indië.

In deze tijd nam de totale bevolking van Indonesië zeer sterk toe door een tijd van vrede en vooral door de nieuwe inentingen. Het volk leed wel sterk onder het Cultuurstelsel, dat in de praktijk helemaal niet gunstig was, maar eerder een vorm van moderne slavernij, en de herendiensten, waar Multatuli fel tegen protesteerde.

Overigens was er ook nog echte slavernij in Nederlands-Indië. Het Regeringsreglement van 1854 bepaalde dat uiterlijk op 1 januari 1860 de slavernij afgeschaft moest zijn.

Inderdaad zijn in het jaar 1859 ongeveer 4800 slaven, meest huisbedienden, vrijgekocht. Dit was het restant van een aantal, dat in 1814 nog circa 27000 bedroeg.

Grappig is dat De Graaf het Regeringsreglement in zijn boek abusievelijk de Wet op de Indische Staatsinrichting noemt, en dat dit met een uitroepteken in de kantlijn in potlood is gecorrigeerd door een vroegere bezitter van mijn exemplaar van Geschiedenis van Indonesië. Bronnen op het internet geven deze anonieme lezer (waarschijnlijk was het N. Top, Laan van Angers 2 (Schalkwijk) Haarlem, die zijn naam en adres op het voorblad schreef) gelijk. De bedoelde wet kwam pas in 1925. Dit is het leuke van oude tweedehands boeken: ze zijn vaak verrijkt met aantekeningen en ingesloten knipsels van eerdere bezitters uit vervlogen tijden. Maar dit terzijde.

Ook blanke zeelieden liepen in de Oost het risico om tot slaaf te worden gemaakt:

De Soeloe-eilanden leverden tot in de 20e eeuw onvervaarde zeeschuimers, de Atjehers loerden op de (vooral na 1869) steeds talrijker wordende schepen, die hun kusten passeerden, terwijl de Baliërs menig gestrand schip leegplunderden en de schipbreukelingen volgens hun oude adat, als slaven trachtten te verkopen.

Welke vakantieganger op het feesteiland Bali zal nog beseffen dat hij een eeuw geleden als slaaf zou worden verkocht op de lokale markt? De Graaf vervolgt:

Nederland werd voor al deze wandaden door het buitenland aansprakelijk gesteld; bovendien bestonden op menig eiland, vooral in de binnenlanden, ergerlijke gewoonten als kannibalisme, koppensnellen, slavernij en weduwenverbranding, die weliswaar zich nauw bij de godsdienstige opvattingen der Inheemsen aansloten en de Europeanen niet dadelijk last bezorgden, maar toch op de duur niet geduld konden worden. Tenslotte verstoorden de vele kleine oorlogjes de rust en welvaart der goedwillende ingezetenen, zodat een hoger, allen overheersend gezag broodnodig was. Om al deze redenen zag zich de Regering meermalen genoodzaakt gewapenderhand in te grijpen, indien dringende waarschuwingen niet baatten.

Het is duidelijk dat De Graaf dit schrijft vanuit het perspectief van de kolonisator die de binnenlanden ‘pacificeert’. Toch geeft het ook een zeker inzicht dat misschien in de laatste studies uit de 21e eeuw weer ontbreekt, omdat wetenschappers als een soort al te politiek-correcte overcompensatie op dit moment niet meer willen of kunnen erkennen dat slavernij, moord en doodslag niet enkel waren voorbehouden aan de blanke overheersers (hoe intrinsiek slecht die overheersing ook was), maar ook veelvuldig voorkwam bij de lokale bevolking, zowel ten opzichte van elkaar als tegenover leden van andere bevolkingsgroepen.

Dit gezegd hebbend, begint De Graaf echt wel door te slaan als hij spreekt over de tijd onder de regering van koningin Wilhelmina, een tijd die hij zelf meemaakte en die in 1949, toen dit boek verscheen, nog maar net ten einde was gekomen. Hij begint dit hoofdstuk met een citaat uit Insulinde’s Toekomst van C. Th. Van Deventer over de hoge plicht om de volkeren in het Oosten tot een hogere beschaving te verheffen. Verder heeft hij het over ‘kranige troepenafdelingen’ onder Van Heutsz, in gebieden ‘waar de zelfbestuurders de bevelen of de wenken der Regering in de wind sloegen of nog aan geen enkele tucht gewend waren’. Deze Nederlandse soldaten ziet hij als ‘brengers van een nieuwe, betere orde’.

Streken waar nog nooit enig gezag was geweest, als Korintji, Soemba, Ceram, werden nu gepacificeerd, tot heil der bevolking. (…) Al deze harde maatregelen waren noodzakelijk, want de deugd kan in deze boze wereld nu eenmaal niet zonder zeker geweld staande blijven.

In het bovenstaande citaat spreekt duidelijk de oude koloniaal, maar over het geheel genomen is het boek een boeiende inleiding in de rijke geschiedenis van de Indonesische archipel. De Graaf is in zijn element als het gaat om de oudste geschiedenis, uit de tijd voordat de Europeanen kwamen, en hij vertelt er prachtig over. Zodra de VOC in beeld komt wordt hij bijna net zo partijdig als Wouter Schouten in De Oost-Indische voyagie en strooit hij met minder neutrale woorden als dappere, sluwe, snode. Dat slaat nog erger door als hij begint over de tijd onder Wilhelmina. Maar zoals gezegd, als je het boek plaatst in zijn tijd is het een zeer rijke bron, die zeer leerzaam en prettig leesbaar is.

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.