Halfbloed – Johan Fabricius6 min read

Bij een bestelling van een oud boek via Marktplaats mocht ik uit een aantal boeken een keuze maken, als extraatje. Twee boeken voor niets. Ik koos Het peloton van Ben Laurens en Halfbloed van Johan Fabricius.  

Zoals velen heb ik in mijn jeugd De scheepsjongens van Bontekoe verslonden. Verder  wist ik weinig van Johan Fabricius. De schrijver blijkt een bijzonder avontuurlijk leven te hebben gehad. Geboren in Bandung (Oost-Java) nam hij op zijn zeventiende dienst als Kriegsmaler (!) in het Oostenrijkse leger om te tekenen aan het front in de oorlog tegen Italië.

Daarna reisde hij naar Buenos Aires en trok naar het grensgebied van Brazilië, Bolivia en Paraguay, waar hij leefde op galletas (harde broodjes) en charqui (gedroogd vlees). Met zijn eerste vrouw reisde hij bijna drie jaar rond de Middellandse Zee. Hij woonde in Spanje en Portugal en reisde onder meer naar China en Japan.

Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog zat Fabricius in Londen, om van daaruit een paar jaar later als correspondent van de BBC naar zijn geboorteland  Indonesië terug te keren, vanwaar hij onder meer verslag deed van de Eerste Politionele Actie.

Intussen was Johan Fabricius een veelschrijver. Hij publiceerde zelfs nog veel meer romans dan Simon Vestdijk, die één jaar ouder was. Halfbloed schreef Fabricius in 1941, maar het kwam pas in 1946 uit (op wikipedia staat abusievelijk 1947). Er wordt dan ook met geen woord gerept over de op het moment van de uitgave al een tijdje aan de gang zijnde revolutie.  

De roman gaat over een familie in Batavia, Nederlands-Indië, waarschijnlijk ergens in de jaren ’20 of ’30 van de twintigste eeuw. De grootmoeder, Ma Sarinah, kreeg als ‘huishoudster’ (zie ook Lichter dan ik) vijf kinderen van de Hollandse fuselier Camphuys. De jongste moet nog geboren worden als de soldaat met ziekteverlof naar huis gaat. Nooit meer werd er iets van hem vernomen.

De kinderen zijn dus Indo’s, halfbloeden. In Nederlands-Indië was dit een bevolkingsgroep die nergens bij hoorde, niet bij de Nederlanders en niet bij de Indonesiërs, destijds ‘inlanders’ genoemd. Een Indo kon nooit zo hoog stijgen op de maatschappelijke ladder als een ‘volbloed’ Nederlander.  

Ma Sarinah woont in bij een zoon en diens vier kinderen. De oudste van deze kleinkinderen was het meest blank uitgevallen en hij leek op kantoor een relatief goede baan te kunnen krijgen. Helaas voor Ma Sarinah kwam hij in de ban van een getrouwde vrouw ‘in de kampong’, waardoor hij in plaats van steeg juist daalde in de maatschappij.  Het gevoel van uitgesloten zijn verwoordt hij  als volgt tegen zijn jongere broer:

Als kind mocht ik nooit in de kampong spelen – je weet wel, dat Ma Sarinah het niet wou. Maar het helpt allemaal niet als je er nu eenmaal naar toegetrokken wordt. Jullie wilt dat niet begrijpen, maar het is zoo, en ik kan er ook niets aan doen. Ik voel me er thuis… alleen dáár vind ik rust. Als ik weet dat er in andere huizen rondom me alleen maar Inlanders zijn… als ik dan de gamelan hoor en zij, Niti, steekt bij het vlammetje van haar palita een sigaret voor me aan. Overdag op kantoor, in m’n Europeesche pak, dat is allemaal maar poera-poera; ik moet om mezelf lachen als ik hoor hoe ik m’n best doe om mooi Hollandsch te praten, bijna als ’n totok! Ik weet immers, dat het allemaal niet echt is. Ik ben jaloersch, Boeng, als ik ’s avonds al die Inlanders gezellig onder mekaar in de kali zie baden.

Poera-poera is doen alsof,  een totok is een volbloed Nederlander en de kali is de beek.  Alle Indische romans (en eigenlijk ook de vertaalde Indonesische literatuur) hebben gemeen dat dit soort woorden onvertaald worden opgenomen, met achterin een verklarende woordenlijst. Het is voor een schrijver een makkelijke manier om de Indische sfeer te treffen.

De Nederlandse lezer van Indische romans smult niet alleen van de uitheemse woorden, maar kennelijk eveneens van gewillige exotische schoonheden die altijd worden beschreven door de schrijvers. Het gaat hier dan om mannelijke lezers en dito schrijvers die hun publiek geven wat het wil. Sla P.A. Daum, maar zelfs ook Louis Couperus, er maar op na.

De vrome Nederlandse lezertjes van vroeger zaten zich op zondag na de kerk waarschijnlijk stiekem op te geilen bij de kachel met dit soort teksten en fantasietjes over ‘hete’ maar gevaarlijke jonge vrouwen. Oh lala! Wat er allemaal niet gebeurde daar in de tropennacht… In het boek Echo’s van Indië  van Kester Freriks valt te lezen dat de soldaten die vanaf 1946 werden uitgezonden van tevoren al werden ingelicht over dit soort zaken. Ook in de film De Oost uit 2020 komt dit cliché aan bod.

Sowieso is Halfbloed niet vrij van makkelijke stereotyperingen, bijvoorbeeld over rijke Chinezen, altijd druk in de weer met opium- en vrouwenhandel (zie ook deze scriptie). Of over de fatalistische Javaan:

Terwijl ze wezenloos mijmerde, starend in het duister, neigde de Oostersche in haar er reeds toe, den ganschen gang van zaken als natuurlijk en onvermijdelijk te aanvaarden.

Terug naar het verhaal en de familie die wordt beschreven.  Het oudste kleinkind, aangetrokken door de kampong,  kon als verloren worden beschouwd. Met de oudste dochter was het anders, maar niet veel beter gesteld. Zij hield van feesten en dansen met soldaten in het uitgaansleven van Batavia.

De jongste dochter daarentegen was een braaf meisje, heel knap om te zien, dat het liefst ’s avonds gezellig bij oma zat. Daartussenin zat de tweede zoon, Bernardus genaamd, maar door iedereen aangeroepen als  Boeng, wat ‘grote broer’ betekent. Boeng is een jongen van twaalf ambachten, dertien ongelukken. Hij heeft veel vrienden en houdt van een robbertje vechten. Zijn droom is om bij de opium-politie te werken, dan kan hij ’s nachts weg, af en toe wat knokken en er nog voor betaald krijgen ook.

Het gaat fout als Boengs zusje verliefd wordt op een Nederlandse officier op de koopvaardij. Er volgt een vechtpartij met fatale afloop voor de officier, waarna Boeng op verdenking van doodslag in de cel belandt. In eenzame opsluiting begint hij, hoewel onschuldig, zelf te geloven in zijn schuld.

Johan Fabricius heeft zelfs voor 1941 een wat ouderwetse stijl. Een voorbeeld:

Op de een of andere wijze scheen over hen allen thuis de schaduw van het Noodlot te hangen, en nu hij in het donker alléén voortstapte in de richting van de Oude Stad, voelde hij weer, dat het Noodlot ook over hem macht had.

Dit is  zuiver naturalisme in de zin van Zola en Couperus, en doet ook wel denken aan P.A. Daum. Menno ter Braak noemde (in 1934) de werken van Johan Fabricius ‘amusementsliteratuur van de vaak zeer goede soort.’ Rob Nieuwenhuys vond specifiek deze roman Halfbloed wat al te larmoyant. Helemaal ongelijk heeft hij niet, maar het is ondanks de wat ouderwetse en sentimentele stijl wel degelijk een page turner door de vele plot twists, met een verhaal dat de lezer meevoert.

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.