Het carnaval der burgers – Menno ter Braak3 min read

Het carnaval der burgers opent als de Vijfde symfonie van Beethoven, met mokerslagen. De toon is gezet. Tot het slotakkoord op de laatste bladzijde schiet Ter Braak een spervuur van woorden af op de lezer in hermetische, rake formuleringen over carnavalsgangers, kinderen, minnaars, gelovigen, burgers, dichters.

De salvo’s treffen doel. Zorgvuldig opgebouwde illusies gaan aan diggelen; het metselwerk van onze gemeenplaatsen brokkelt af. Een stelsel van abstracties wordt blootgelegd, abstracties die we hebben verzonnen en koesteren om te bedwingen wat ons burgers verontrust, namelijk het onbegrijpelijke, de oneindigheid, de ultieme dichter: de dood. Zo hoeven we niet wakker te worden uit onze comfortabele droom, en worden ‘gevaarlijke moerassen van onrust’ gedempt.

Het boek bevat een rijkdom aan rake observaties, over geloof, kunst, schoonheid, muziek, opvoeding, moraal, en passant zelfs over mode en toerisme. Wat hij zegt over gelovigen is door zijn tijdloosheid zó herkenbaar, vooral als we bedenken dat veel klimaatactivisten of ‘social justice warriors’ van de eenentwintigste eeuw net zo goed gelovigen zijn, even goed als sommige van hun grootste tegenstanders.

Het carnaval der burgers is geen dichterlijke aanval op burgers of het begrip burgerlijkheid. Met scherpe blik ontleedt Ter Braak de dichter in de burger en de burger in de dichter.

Het ‘verschil’ tussen burger en dichter is een carnavalsverschil. De dichter, de beroepsdichter, de producerende, is burger, want hij plant zich voort, hij beveiligt zich, hij handhaaft zich in zijn product. Dit product, zijn in stof verstard werk, draagt alle kenmerken van de burgerlijke drang naar behoud, waarom zou men het loochenen?

Het lijkt of Ter Braak soms raakt aan wat in het westen tegenwoordig non-dualisme wordt genoemd. Zou hij op het spoor zijn gebracht door de gedichten van de door hem bewonderde Johan Andreas dèr Mouw, die de naam Adwaita gebruikte? Het is niet uit te sluiten, al wordt die dichter in dit boek niet genoemd. Wel noemt Ter Braak verleden en toekomst als veilige abstracties, terwijl het enige werkelijke, het heden (het Nu), tegelijk het onbestemde, het gevaarlijke is, dat wordt bedwongen door te lopen, lopen en te spreken, spreken, net zo lang tot ook het heden ‘voor ons ligt als een kleine portie verleden, aangelengd met een scheutje toekomst.’

Op deze wijze blijven we veilig dolen in de droom, met heel af en toe een flits van ontwaken. Dat gebeurt als we even van ons stuk worden gebracht: het luciferdoosje is leeg, we kijken en zien voor het eerst het object zoals het is, in al zijn schoonheid. Zo kunnen we worden aangeraakt door de werkelijkheid, zoals ook kunst ons daarvan een glimp kan laten ervaren. Meer dan dat kan het niet zijn volgens Ter Braak; hij is geen goeroe die een verlokkend perspectief van verlichting aanbiedt. Het leven ‘uitputten in zijn analyse om de uitputtelijkheid van het leven te kunnen ondergaan,’ dat is het hoogste.

Waar een pretentie van verlossing wellicht te hoog gegrepen is, hoopt Ter Braak wel dat zijn boek in vruchtbare aarde valt bij gelijkgestemde geesten:

De papieren vrucht, het afgevallen lichaam uit gestorven tekens gebouwd, wacht ook op de herkenningsblik, die uit de betekenissen gelijkenissen leest. Eén blik, die niet naar waarheid of onwaarheid vorst, maar verwonderd en glimlachend de geheime verwantschap ondergaat, verovert iets van de dichterlijke werkelijkheid op het onafzienbare kansspel der historie; één blik, die de logge tekens ziet wijzen naar de naamloze dichter, naar die onbegrijpelijkheid, waaraan het begrip in der eeuwigheid niet toekomt, maakt de tijden goed.

Zo reikt de schrijver, tijd en ruimte overbruggend, op grootse wijze de lezer de hand, die hem ontroerd en dankbaar aanneemt.

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.