Het land van herkomst – E. du Perron4 min read

Vrijwel elke romanschrijver begint met het optekenen van zijn of haar eigen verhaal. Bij velen blijft het daarbij. Dat gold ook voor E. du Perron, met zijn autobiografische roman Het land van herkomst.

De hoofdpersoon is bezig met de afwikkeling van het testament van zijn overleden moeder. De erfenis valt tegen. In plaats van banktegoeden zijn er schulden, de aandelen blijken niets meer waard te zijn en het kasteeltje in de Ardennen is onverkoopbaar, terwijl de lasten doorlopen.

Hoofdstukken over deze financiële en juridische beslommeringen, met tussendoor veel gesprekken met vrienden in Parijs (gemodelleerd naar onder anderen André Malraux, Jan Greshoff en Menno ter Braak) worden afgewisseld met herinneringen aan de jeugdjaren in Nederlands-Indië.

Over de dagboekachtige notities van de gesprekken staat aan het einde van hoofdstuk 11: ‘En voor iemand die over tien jaar deze bladzijden lezen zou, zijn zij wellicht niets anders dan de notulen van een gesprek tussen intellectuelen, te Parijs omstreeks 1930.’ Daar heb ik niets aan toe te voegen. Tot in de jaren ’50 werden dit soort gesprekken gevoerd, zie bijvoorbeeld Bij nader inzien en andere werken van J.J. Voskuil. Niet bijster boeiend.

Dat daarnaast andermans herinneringen aan de kindertijd meestal saai en vervelend zijn, zou de nekslag voor deze roman kunnen zijn. Tandjes wisselen, pesterijen van andere kinderen, de eerste zoen… zo interessant als het kennelijk is voor de betrokkene, zo slaapverwekkend vind ik dergelijke beschrijvingen meestal als lezer. Alleen een uitzonderlijk goede schrijver kan het banale overstijgen en uit de kindertijd iets puren dat de moeite waard is om gelezen te worden. Vestdijk, door Du Perron en Menno ter Braak ‘ontdekt’, was zo’n schrijver.

Du Perron stond als romanschrijver zeker niet op het niveau van de Kluizenaar uit Doorn… En toch was het lezen van Het land van herkomst, 541 bladzijden in dundruk, voor mij geen verspilde moeite. Dat komt vooral omdat het boek een fascinerend beeld geeft van hoe de Nederlanders leefden in Nederlands-Indië aan het begin van de twintigste eeuw.

Nederlandse kinderen groeiden op Java op onder de hoede van een soort huissloof, of zeg maar gerust ‘huisslaaf’, een vaste baboe (kindermeid), die op een matje naast het bed lag en geacht werd vierentwintig uur op elke gril van de jonge meester een bevredigende actie te ondernemen. Daarnaast had het kind een wisselende reeks ‘juffrouwen’, die verantwoordelijk waren voor alles wat men normaal op school leert.

Net als in Goena-goena van P.A. Daum en De stille kracht van Louis Couperus verhaalt Het land van herkomst van Javaanse paranormale gebeurtenissen. De ouders van de hoofdpersoon, die soms geesten oproepen om hen raad te vragen, doen er alles aan om onheil te voorkomen. Zo moet de verzameling krissen wekelijks worden bewierookt om de geesten gunstig te stemmen.

Uit veel beschrijvingen in de roman blijkt het flagrante racisme uit de koloniale tijd. Deels is de hoofdpersoon, daarop terugblikkend, die mentaliteit ontstegen, maar niet helemaal. Mensen die niet (geheel) blank waren, stonden in de jaren ’30 in de ogen van de meeste Europeanen nog steeds een paar treetjes lager op de ladder van ontwikkeling en beschaving (denk aan Halfbloed van Johan Fabricius).

Zelfs een een progressieve intellectueel, kenner van Multatuli, kon zich aan die gedachte hooguit gedeeltelijk ontworstelen (zie ook mijn stukje over Indies memorandum van dezelfde schrijver – overigens is Louis Couperus een van de weinigen die ik ken, misschien naast Van der Tuuk wel de enige, die niet laatdunkend over Indonesiërs schreef).

De oorspronkelijke bevolking moest streng worden aangepakt, onder het motief: ‘Anders lachen ze je uit, en als ze kunnen spugen ze nog in je gezicht ook.’ De verteller van het verhaal vindt het achteraf niet prettig dat zijn vader ‘inlanders’ afranselde, maar hij is eerlijk genoeg om toe te geven: ‘Ik heb als alle Indische jongens later zelf inlanders geslagen.’ Zo idyllisch was tempo doeloe.

(…) het gaat er niet om de tegenstrijdigheden te verdoezelen; eerder ze te verklaren, of als dat niet gaat, dan niets, dan ze in alle nuchterheid te laten bestaan.

Dit is een van de vele ‘meta-beschrijvingen’, opmerkingen over het schrijven van het boek, waardoor het vaak lijkt alsof je in plaats van een roman de brieven van Du Perron leest.

Naast hoogst persoonlijke jeugdherinneringen vindt de lezer in de roman onder meer het relaas van een oud-militair die in Atjeh vocht (ijzingwekkende verhalen die doen denken aan wat we kennen van Vietnamveteranen) en herinneringen aan afgrijselijke vormen dierenmishandeling, zoals het levend villen van een als jachttrofee geschoten aap.

Door die mate van gedetailleerdheid en de veelzijdige herinneringen, als ook vanwege de smakelijk opgediste verhalen over de excentrieke moeder, moet ik Menno ter Braak, die Het land van herkomst in een van zijn brieven aan Du Perron ‘een rijk boek’ noemde, gelijk geven.

Naschrift
Een paar weken later las ik het oordeel van W.F. Hermans over Het land van herkomst, zoals opgenomen in Mandarijnen op zwavelzuur. Hermans heeft zich juist gestoord aan de vele details, omdat deze weliswaar het (te) goede geheugen van Du Perron aantonen, maar verder gekenmerkt worden door toevalligheid en functieloosheid, dat wil zeggen: ze dragen niet bij aan enige leidende gedachte achter de roman. ‘(…) een klimaks blijft uit, een oplossing wordt niet gevonden.’ Wel ziet WFH de journalistieke kwaliteiten van het boek, en dat is nu juist ook wat ik hierboven zeg in de zesde alinea en verder.

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.