Het lied van Europa – Leon de Winter9 min read

Leon de Winter is een schrijver die de laatste tijd vooral bekend is vanwege zijn prikkelende politieke columns in De Telegraaf. Daarmee en met allerlei zakelijke plannen is hij druk geweest; het gat tussen zijn nieuwe roman en de vorige is zeven jaar. Dat Leon de Winter desondanks over publiciteit niets te klagen heeft, blijkt wel uit het feit dat hij de laatste weken bij zo’n beetje alle media werd uitgenodigd om te vertellen over zijn nieuwe boek, Het lied van Europa.

We hoorden De Winter met de hem kenmerkende geestdrift vertellen over zijn uitvinding van koolhydraatarme patat (door hem als Brabander ‘friet’ genoemd) en over de vele ideeën die hij nog heeft, zoals de oprichting van een pretpark. Het was wel steeds hetzelfde verhaal, maar Leon kwam er telkens uit naar voren als een sympathieke kerel.

Nieuwsgierig begon ik aan Het lied van Europa. Het eerste hoofdstuk speelt in Syrië tijdens de oorlog (2018). Ik ga het niet navertellen, lees het vooral zelf, maar het is een aangrijpende en meeslepende geschiedenis met een originele invalshoek: ‘(…) de dreiging hing als stank in de lucht, alsof de riolen al waren geëxplodeerd.’ Als verhaal zou dit hoofdstuk op zichzelf kunnen staan. Een grandioze opening van deze roman.

Het tweede hoofdstuk is een heel stuk korter en speelt zich af in het jaar 2023 in Den Bosch. In hoofdstuk drie, eveneens kort, is het al weer 2025, en hoofdstuk vier springt direct door naar het jaar 2039. De schrijver zet hier een aantal verhaallijnen uit, met de bijbehorende personages, die later, net als de Syriërs van de opening, natuurlijk weer bij elkaar komen.

De columnist Leon de Winter schrijft over de boerenprotesten, het verzet tegen de coronamaatregelen, de groei van alternatieve partijen op rechts. Als romancier werkt hij dat uit naar de toekomst, waarbij de veenbrand doorsmeult. Dat geldt vooral voor de ‘gekoloniseerden die niet hebben geprofiteerd van de globalisering en wier reële koopkracht al tientallen jaren is verdampt’, de onderklasse dus, ‘getekend door armoede, gebrek aan kansen, culturele vernedering’. In het boek leidt dat tot een gigantische uitbarsting in heel Europa, die begint in ‘s-Hertogenbosch:

De meeste doden vielen in de tweeënzeventig uur die de Amerikaanse en Duitse eenheden nodig hadden om de wijken te bezetten. De eerste autonome dagen werden later de Dagen van Waanzin genoemd, maar misschien betrof de schande het dodelijke optreden van de legers. In mijn flat doorstonden we de overval door de NAVO in de kelders onder in het gebouw. We hoorden de explosies van zware wapens, op de Markt vielen doden. De ‘verstotenen’ stichtten als wraak branden in de binnensteden, en riepen daarmee nog meer geweld op. Binnen twee weken waren de wijken onder controle van de overheden en de opstandelingen gearresteerd of gedood. De noodtoestand bleef vier jaar in stand. Op 19 februari 2044 werden de nieuwe wetten ingevoerd.

Zo gaat het verhaal dus van Damascus, Syrië in 2018 naar een daarop gelijkende oorlog in Den Bosch in 2044. Het is een dramatische hyperbool die aan Leon de Winter wel is toevertrouwd. Hij is een echte verhalenverteller. In gesprekken in de media kan hij bloemrijk uitweiden over zijn familiegeschiedenis, waarbij hij graag vertelt over zijn vader, de voddenboer, die met zijn handkar door Brabant trok. De luisteraar die daarbij taferelen als in de verhalen van Charles Dickens voor zich ziet, is verbaasd als hij elders leest dat Leon de Winter feitelijk niet opgroeide in een getto, maar in een vrijstaande villa. 

Minder bloemrijk dan zijn verteltrant is de schrijfstijl van Leon de Winter. Een stadsgezicht of landschap wordt niet uitgebreid beschreven. De schrijver besteedt weinig tekst aan de karakters of zielenroerselen  van de personages. Veel hoofdstukken in Het lied van Europa hebben de vorm van een dagboek of een blog, soms zelfs de zakelijke vorm van een lemma in Wikipedia. Het is voor een roman allemaal tamelijk droog. Op zichzelf is dat beter dan de minder geslaagde lyriek met zogenaamd originele, maar vergezochte metaforen die je ook veel in eigentijdse romans aantreft, maar voor wie graag Vestdijk of Russische romans leest is het erg sec.

Veel van de actualiteiten die Leon de Winter in zijn roman in de toekomst projecteert zijn thema’s van nu, of eigenlijk meer nog van de afgelopen coronatijd, die sterkt zijn uitvergroot. Zo zijn er in de wereld van Leon de Winter over ruim twee decennia nog steeds demonstraties van mensen in gele vesten in Parijs. Andere zaken zijn wel een onderdeel van een aannemelijke, zij het niettemin dystopische toekomst, zoals de carboncreditpunten die je nodig hebt om iets te kopen of om te reizen (een systeem dat in China al bestaat) en het feit dat iedereen ook in eigen huis wordt afgeluisterd door de overheid (iets dat nu al mogelijk is via Alexa en Google).

Ter geruststelling heeft De Winter er een kleine ontsnappingsmogelijkheid bij verzonnen: de meeste gebouwen hebben een dode hoek waar de afluistertechniek niet werkt en waar mensen dus nog vrijuit kunnen spreken, zonder angst voor straf van de overheid. In interviews noemt hij in dit verband een staatssecretaris die ooit gezegd zou hebben dat de overheid het zwarte geld zou kunnen uitbannen, maar dat bewust niet doet, omdat de mensen altijd wat speling nodig hebben.

Betrokkenen bij het verspreiden van haatnieuws in de aanloop en ten tijde van de Dagen van Waanzin werden in de nieuwe wetgeving als speciale categorie vermeld; die konden worden vervolgd, ook al hadden de misdaden zich voltrokken vier jaar vóór de invoering van de wetten; er werd een paragraaf opgenomen die de Europese overheden het recht gaf met terugwerkende kracht voormalige ophitsers aan te pakken. Vollmer noemde die de ‘Levi Paragraaf’ – dat kan je niet ontgaan zijn, of misschien wel. De dag waarop de straffen in de wetgevingen van de lidstaten zouden worden overgenomen, werd vastgesteld op 19 februari 2044. Tegelijkertijd zou op die dag cash geld worden afgeschaft en werden de CCTV-netwerken in de Unie gelegitimeerd met speciale ‘tijdelijke’ wetgeving. Persoonlijke uitgaven werden door de banken geanalyseerd op de belasting voor het milieu, op CO2-uitstoot, op gezondheidseffecten.

Waarom noemt Leon de Winter specifiek 19 februari 2044? Ik heb nagekeken of er precies 100 jaar eerder, tijdens de Tweede Wereldoorlog iets bijzonders gebeurde op die dag. Dat heb ik niet kunnen vinden, maar er zal vast een betekenis in liggen. De Winter vertelt vaak over de angst van zijn familie in de oorlog voor ‘de klop op de deur’, een angst die ook bij hem als tweede generatie (ruimschoots na de oorlog geboren) nog zeer diep zit. In elk geval is het geen toeval dat in deze roman Nico Levi, de man met de christelijke voor- en Joodse achternaam en herkenbaar als een alter ego van Leon de Winter, honderd jaar na de bezetting ondergedoken zit. De echo van de Tweede Wereldoorlog is nooit ver weg in het werk van De Winter, ook niet als het verhaal speelt in de toekomst.

Vergeet niet de steen die door een van de ruiten aan de straatkant brak. SS-tekens op de garagedeur. Hakenkruizen. Het was begonnen als onrust tegen buitenlanders, arbeidsmigranten heetten ze opeens; daarna keerde een oude Europese traditie – langzaam maar onweerstaanbaar – terug in de straten en de pleinen.
Het is de schuld van de Joden.
Online noemen ze me een ‘kutjood’, een ‘weerzinwekkende zionist’; door links en rechts word ik veracht. Er moest een kapitalistische of marxistische Joodse samenzwering achter zitten, beweerden ze na de rellenm en Nico Levi leidde die. Ik ben het gezicht geworden van de desinformatie en de ophitsing, van haatpraat, onrust stoken, het ondermijnen van autoriteiten. Ik ben alles wat veel burgers sinds 2040 verafschuwen: de knuppel in het hoenderhok, de insluiper, de vos.

Het dystopische toekomstverhaal is een interessant gedachte-experiment, geheel in de geest van George Orwell, maar in tegenstelling tot 1984 vind ik Het lied van Europa op een aantal kleine punten niet geloofwaardig. Inhoudelijk bijvoorbeeld als de leider van een groep woeste mannen die hijgen en kwijlen voorafgaand aan hun euvele daden eerst geduldig luisteren naar hun leider die een lang gedicht van Henriëtte Roland Holst citeert. Ik zie dat gewoon niet voor me. De ‘vondst’ om een vrouwelijke hoofdfiguur de naam Europa te geven vind ik trouwens ook een beetje… tja.

Ook als toekomstbeeld staan er zaken beschreven die volgens mij nu in 2022 al bijna achterhaald zijn, laat staan in 2040. Bijvoorbeeld dat de politie over twintig jaar nog steeds krakende walkietalkies zou gebruiken, dat er benzine te koop is (voor de molotovcocktails van de opstandelingen), dat mensen films kijken op dvd’s, er plekken in Nederland zijn waar geen bereik is met het ‘mobieltje’  en bezoekers vragen: ‘Heb je het makkelijk kunnen vinden?’ (een vraag die anno 2022 al lang overbodig is vanwege Google Maps en ingebouwde navigatie). Het komt wat onbeholpen over; misschien mag de schrijver al blij zijn als hij een beetje ‘bij’ is met de gadgets van nu en is hij gewoon iets te oud om toekomstige technologie geloofwaardig te kunnen verzinnen en weergeven.  

Na het uitstekende begin van de roman moet ik zeggen dat ik de tweede helft minder goed vond. Het kan aan mij liggen, maar het plot kon ik af en toe niet helemaal volgen. De samenhang tussen de verschillende details en uitweidingen was me niet steeds even duidelijk en het als apotheose bedoelde einde kwam voor mij tamelijk plotseling. Dat laatste werd versterkt door het feit dat ik de roman deze keer op de e-reader las, waarbij je niet zo snel in de gaten hebt dat de laatste bladzijden naderen. In elk geval was het effect dat de roman op me had uiteindelijk meer dat van een column over de huidige tijd dan dat van een tijdloos literair werk.

De kern van het verhaal is misschien wel donkere mensbeeld van de schrijver. Niet alleen blijft het antisemitisme telkens de kop op steken, de meerderheid van de mensen heeft wel vrede met de surveillancestaat, onder het motto: ‘wie niets op zijn kerfstok heeft, heeft niets te vrezen’. Privacy is een decadente luxe. Het doel van het constante volgen van burgers en de censuur is het waarborgen van de veiligheid en het ‘beschermen’ van de burgers tegen ongezonde zaken, zoals opruiende teksten, suiker en vet voedsel.

Waarschijnlijk moet Het lied van Europa worden gezien als een waarschuwing om het zo ver niet te laten komen. In die zin is de roman met een vermanende boodschap weer helemaal terug. Zo verschijnen er ook steeds meer ‘klimaatromans’ met allerlei onheil vanwege de opwarming van de aarde erin verwerkt, in Nederland bijvoorbeeld van Renate Dorrestein, Ellen de Bruin en Adriaan van Dis. De laatstgenoemde wil naar eigen zeggen laten zien ‘hoe slordig we omgaan met het kostbare van de aarde’ en hoopt dat lezers er een nachtje van wakker liggen en hun leven beteren.

Volgens Leon de Winter schuilt het gevaar juist in de toenemende controle en regelzucht van de overheid. Dankzij hem heeft nu ook ‘rechts’ er een moralistische roman bij.

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *