Honderd jaar eenzaamheid – Gabriel García Márquez4 min read

Het is al meer dan vijftig jaar geleden dat Honderd jaar eenzaamheid het licht zag. Na herlezing concludeer ik dat deze wonderlijke roman zeker nog vijftig jaar zal meegaan. Voor een Nederlandse liefhebber van literatuur, gewend aan Nescio en Bordewijk is de taal van García Márquez exotisch en overdonderend. In Nederland wordt elk grasveld regelmatig gemaaid volgens een goedgekeurd onderhoudsplan. Met een beetje geluk vind je wat madeliefjes, en een enkele paardenbloem, heel soms een brandnetel die de dans is ontsprongen. In Colombia bloeien duizend bloemen, weelderig en vrij, met vlinders en veelkleurige vogels.

Honderd jaar eenzaamheid is als een boom waarvan de ontelbare takken diep doorbuigen omdat ze zijn behangen met duizenden rijpe, zoete vruchten, waardoor de bladzijden druipen van een bedwelmende nectar van bloemrijke taal en onvergetelijke beelden. Je kunt ze ruiken en proeven op je tong en als de lamp gedoofd is voel je nog hun vochtig-warme zachtheid. Ik merkte dat ik niet te veel in een keer moest lezen; kleine teugjes, als bij korenwijn, om niet in een delirium te raken. Alles gebeurt uitbundig. Er valt geen regenbui; bij Gabriel García Márquez regent het meteen vier jaar, elf maanden en vier dagen.

Tussen alle balorigheid ontsteekt in Márquez af en toe ook het vuur van de woede, bijvoorbeeld als hij het droevige lot van de veteranen beschrijft. Met veel compassie ook schrijft hij over ouderdom en verval, zoals die keer waarop Úrsula, tegen het einde van haar lange leven zich eindelijk laat gaan:

Terwijl Úrsula bij het inpakken van José Arcadio’s koffer over dit alles nadacht, vroeg ze zich af of het niet te verkiezen was om meteen maar in haar graf te gaan liggen en de aarde over zich heen te laten werpen en geheel onbevreesd vroeg ze aan God of hij werkelijk meende dat de mensen van ijzer waren gemaakt, aangezien ze zoveel zorgen en teleurstellingen te verwerken kregen; maar door dat te vragen en het steeds opnieuw te vragen wakkerde ze haar eigen verwarring slechts aan en ze voelde een onweerstaanbaar verlangen opkomen om in ruige taal los te barsten, net als een vreemdeling, en zich eindelijk eens een opstandig moment te veroorloven – het zo vaak begeerde en zo vaak uitgestelde ogenblik om alle berusting van zich af te schudden en één maal lak te hebben aan alles en iedereen en haar hart te bevrijden van de grenzeloze hopen slechte woorden die ze had moeten inslikken gedurende een eeuw van goed fatsoen.
‘Godverdomme!’ riep ze.

Nog een aantal zaken die me opvielen. Het is opvallend hoe vaak er sprake is van incest in het boek. Nederland komt er een paar keer in voor, bijvoorbeeld bij de aankoop van Hollandse lakens, het circus met een beer die is verkleed als Hollands boerinnetje en natuurlijk de hacienda Neerlandia, waar de vredebesprekingen (ook in het echt) plaatsvonden. Verder is er sprake van Gaston, een Belgische schoonzoon. Tegen het einde van hun leven raken veel personages dement, wat de schrijver zelf ook is overkomen.

In Nederland werd het jubileum van Honderd jaar eenzaamheid gevierd met een nieuwe vertaling. Of dat nodig was, weet ik niet. Ik herlas de oude vertaling en heb daarop niets aan te merken. De stamboom in het begin van het boek heb ik vaak geraadpleegd, want het is soms wel lastig om alle personages uit elkaar te houden, mede omdat ze vaak dezelfde naam dragen. Ik heb genoten van het boek. Wel vind ik dat het te lang doorging. Na de dood van de stammoeder Úrsula had ik het gevoel dat de cirkel rond was, maar het boek gaat dan een heel eind door.

Zelf meer dan gemiddelde ervaring hebbend met het Zuid-Amerikaanse continent en de mensen die er wonen, herken ik veel dingen, de vrolijke gelatenheid, mateloosheid, het drama en de overdrijving. Het oneindige universum van Márquez is het rijk van de verbeelding, met eigen logica, waarin suikerbeesten verbonden zijn met slapeloosheid en een fles water aan de kook raakt zonder dat iemand hem verwarmt. Het verbaast de lezer niet dat José Arcadio Buendía het niet eerder geopenbaarde geheim ontdekt om amandelbomen het eeuwige leven te geven, noch dat de overledenen nog lange tijd na hun verscheiden opduiken in het huis.

Juist de magische overdrijving verleent de vertellingen geloofwaardigheid voor de lezer die bereid is de zompige veenbodem onder zijn of haar voeten te vergeten en zich in gedachten mee te laten voeren naar zonniger oorden, waar de doden spreken en een bepaalde man altijd vooraf wordt gegaan door fladderende, gele vlinders, kortom literatuur op te vatten als ‘het mooiste spel dat ooit is uitgevonden om andere mensen bij de neus te nemen’.

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.