Indies Memorandum – E. du Perron3 min read

Indies memorandum is een postuum in 1946 uitgegeven verzameling artikelen van E. du Perron over Nederlands-Indië. Hij typeerde zijn bijdragen aan het tijdschrift Kritiek en Opbouw en het Bataviaasch Nieuwsblad als ‘invallen, uitvallen, geestelike en persoonlike lotgevallen, meningen over boeken, mensen, gebeurtenissen, etcetera.’

Niemand leest nog dit soort oude boeken, behalve ik. Sommige van de in de bundel opgenomen stukken, met name de recensies, zijn wat aan de lange kant en pedant van toon, maar door de bank genomen is dit een divers boek met veel wetenswaardigheden. Neem bijvoorbeeld het reisverslag, op zoek naar heilige stenen in West-Java, of het verhaal over Willem van Hogendorp, die in 1780 al een aanklacht schreef tegen de slavernij, ruim tachtig jaar voordat Uncle Tom’s Cabin verscheen.

In elk werk van Du Perron vind je wel een vermakelijke zin, zoals wat hij zegt over de stijl van een kennelijke NSB-sympathisant (in Nederlands-Indië zaten voor de oorlog relatief veel NSB’ers) met wie hij in een polemiek is verwikkeld: ‘een roestige knalpot die zich luchtte in notarisklerkenhollands.’ Verder munt Du Perron de term revolverjournalist: ‘een administrateur van de kerfstok van anderen’ (en daarmee die anderen, meestal algemeen bekend staand, chanteert).

Du Perron noemde ‘inheemse’ personen ‘Indonesiërs’, wat in die tijd voor een Nederlander bijna gelijk stond aan landverraad. Hij voelde verontwaardiging over de misplaatste superioriteitswaan van lompe Hollanders. Voor hem stak de gratie van een Indonesische dame vaak gunstig af tegen het gebrek eraan van Hollandse vrouwen:

(…) als men haar vergeleek met de puntig-gekniede, schonkig-geschouderde, slordig-belippenstifte en astrante blanke verschijningen in shorts, die men door hetzelfde stadje zag opmarsjeren…

De (te) lange polemieken in deze bundel kunnen de lezer vervelen. Du Perron is op z’n best als hij met ironie dialogen noteert. Hij was fel tegen religies, waaronder de in Indonesië dominante islam. Du Perron schrijft met sympathie over de emancipatiebeweging Istri sedar (‘de bewuste huisvrouw’), van vrouwen die zich (toen al!) wilden ontworstelen aan de onderdrukking van de vrouw in de islam.

Over l’art pour l’ar schrijft Du Perron:

Zodra men even doordenkt, moet men inzien dat niemand kunst maakt alleen om de kunst. Een schrijver die 100 % volhoudt dat hij dit doet, liegt bewust of onbewust. Men schrijft altijd of tégen, of vóór iets; om zichzelf of zijn soort te rechtvaardigen; om zich te verheffen of te verstrooien; om voort te duren, om de verveling te verdrijven of geld te verdienen; om zich te bevestigen of te leren kennen; om de roem of om zich de illuzie te geven van iets te doen, van iets te beheersen, in een kruipend of vliedend bestaan. Er is altijd iets menselikers en diepers, iets verheveners of geniepigers, dat iemand dwingt zich aan de kunst te wijden; iets dat men wel opnemen of versmelten kan met het begrip “zuivere kunst”, maar dat niet natuurlikerwijs tot dit begrip behoort.

Het zijn dat soort gedachten die oude boeken als deze zo waardevol maken.

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.