Jan Compagnie – Arthur van Schendel2 min read

E. du Perron noemde Arthur van Schendel in 1939 de grootste nog levende Nederlandse schrijver. Uit de pen van een genadeloze criticus als Du Perron wil dat heel wat zeggen. Jan Compagnie is in de eerste plaats het meeslepende levensverhaal van Jan de Brasser uit Amsterdam, die op jonge leeftijd als soldaat aanmonstert voor een reis naar de Oost in dienst van de VOC.

De hoofdpersoon is een typisch geval van ‘ruwe bolster, blanke pit’, een harde werker, maar met een grote mond die hem steeds weer in de problemen brengt. Als soldaat vecht hij tegen iedereen die de belangen van de VOC in gevaar brengt: de Engelsen, Portugezen, Spanjaarden en vooral weerspannige ‘inlanders’. Maar als vrij man leeft hij later tussen de lokale bevolking en leert hij hen waarderen en respecteren. Met zijn Portugese vrouw sticht hij een gezin en op verschillende plekken bouwt hij vanuit het niets een bloeiende gemeenschap op, waar eerst honger en armoede werd geleden.

Arthur van Schendel beschrijft het verhaal zonder morele oordelen of opsmuk. Hij geeft een eerlijk beeld van de toenmalige Hollanders in de tropen:

Van de vaderlandse eigenschappen driestheid, weerspannigheid, lompheid had de natuur hen wel zo voorzien dat men wel van het schuim der natie sprak en zachthandig waren zij niet; er werden harde klappen geslagen, maar de Compagnie had hen om specerij gezonden, niet om weldaad aan de inboorlingen te doen of het land te bewonderen.

Lokale vorsten werden gepaaid of geïntimideerd, al naar gelang dit het beste resultaat had, namelijk en zo groot mogelijke winst voor de VOC. Als het volgens de bevelhebbers opportuun was om een bloedbad aan te richten, aarzelde men geen seconde. Van Schendel beschrijft natuurgetrouw de oorlogstrauma’s die sommige VOC-soldaten daar aan overhielden.

Zo veel mogelijk winst, en zo min mogelijk kosten, dat is het beleid van de Compagnie. Met sluwheid en geweld handhaaft men een monopolie op de handel. Ook de eigen mensen worden daarbij uitgeknepen door lage lonen, hoge belastingen en een strikt verbod op particuliere handeltjes.

Jan de Brasser is oprecht, maar driftig. Toch weet hij na zijn ontslag als vrij man handig door de mazen van het net te sluipen en verdient hij fortuinen, eerst met nootmuskaat en later met een van de eerste suikerplantages in Batavia. Hij wordt daarbij geholpen door een paar vrienden, zoals een inmiddels schatrijke Chinese handelaar, die hij ooit hielp toen deze ‘down and out’ was.

Van de VOC heeft Jan zich volledig afgekeerd: ‘Die in Holland heldhaftig op indringers hadden geschoten, deden het hier laf op rechtmatige ingezetenen.’ Het lijkt wel of het gaat over de politionele acties na de Tweede Wereldoorlog, maar dit boek werd al gepubliceerd in 1932. Van Schendel schrijft in een bijna bijbelse taal, die ik prachtig vind. Een meesterlijk boek.

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.