Jong en eenzaam – Kevin van Vliet5 min read
‘Ik lees geen Nederlandse schrijvers,’ zegt Kevin van Vliet in een vraaggesprek voor EW Magazine tegen zijn vriend Geerten Waling. Was ik ook maar zo wijs geweest, verzuchtte ik nadat ik me door diens roman Jong en eenzaam had geworsteld.
Een boekenkast vol wereldliteratuur staat op me te wachten, bijna een meter Knut Hamsun in dundruk, Van Oorschots Russische Bibliotheek, nagenoeg compleet, Kafka, Goethe, Flaubert, Luigi Pirandello, de reeks Privé-domein, maar ook Nederlandstalig: verzamelde werken van Multatuli, Van Schendel, Elsschot, Vestdijk, Hermans… ik zeg het niet om te snoeven, maar het kost me nog zeker veertig jaar om dat allemaal tot me te nemen en waarom zou ik dan mijn tijd verspillen aan ‘aanstormende talenten’, die maar al te vaak ‘zich aanstellende talenten’ blijken te zijn. Het beste is om alleen dode schrijvers te lezen en te herlezen.
Ooit zal ik me aan mijn eigen advies houden, maar vooralsnog ben ik onbesuisd genoeg om er telkens weer in te trappen. Jong en eenzaam verwijst duidelijk naar Oud en eenzaam van Gerard Reve, dat ligt er nogal dik bovenop. Niet bepaald het beste boek van de volksschrijver, dus of dat een slimme zet is… De roman van Kevin van Vliet begint met een droom, net als De avonden. Ook de dialogen met de moeder doen sterk denken aan die in De avonden. Dat is beter.
Maar met beschrijvingen van daden en fantasieën die betrekking hebben op de uitoefening der herenliefde gaat het dan toch weer de kant op van Oud en eenzaam. Het deel met herinneren aan Aart en Fokko is Van Vliets eigen versie van Reves belevenissen met Wallie en Appie, of ademen in elk geval dezelfde sfeer.
Een groot deel van het boek is duidelijk geschreven in die speciale taal die Reviaans heet. Kevin van Vliet is wat dat betreft niet de eerste, en waarschijnlijk ook niet de laatste. De stijl heeft soms ook wat weg van een andere Reviaan uit vervlogen tijden, te weten Heere Heeresma. Langs berg en dal, klinkt hoorngeschal, zegt de hoofdpersoon in zichzelf.
Het koude zweet is me desondanks uitgebroken en de koorts flakkert in alle hevigheid op bij het aangezicht van de grenscontrole, waarvoor rijen gevormd dienen te worden. Drijfgangen naar een land dat in wezen een terminal is. Een stelsel van wegen en gangen en paden, bepijld en omlijnd, voorzien van seconden- en minutentellers, een geheel van verschillende ge- en verboden, dat alleen al een studie naar de herkomst en naar de onderlinge samenhang van deze straattaal genoeg stof moet bieden voor een semestervullend programma aan de universiteit. Fietswiel hier, looprek daar, niet voorbij die streep, juist wel voorbij deze, hond zus schijten, kat zo, zoveel-en-halve decibel max. bij zonnig ochtendweer met lichte zuidwestenwind. De openbare ruimte als één groot uitgewerkt bestemmingsplan, voor de instandhouding waarvan minimale politie-inzet benodigd is, want daar zijn de buren al voor.
Nederland is een aangeharkt landje; in vergelijking met de meeste verre landen kun je dat saai noemen. Dat doet Kevin van Vliet, woonachtig in Zuid-Afrika, dan ook voortdurend. Zelf staat de jonge schrijver daar natuurlijk ver boven, hij dwaalt, doolt en zwerft er avontuurlijk op los, zich laten sturend door de eigen driften en verlangens. In Portugal bezoekt hij dan toch weer het Nederlandse clubje dat zich daar heeft gevestigd, van Nederlandse journalisten die op afstand kunnen werken voor Nederlandse opdrachtgevers. Een van hen is de inmiddels welbekende Arthur van Amerongen.
In zijn roman verwerkt Kevin van Vliet beschrijvingen van een bezoek aan laatstgenoemde. Van de weeromstuit neemt hij daarbij de schrijfstijl van Van Amerongen over. Dat de beschrijving van het bezoek op waarheid berust geloof ik wel, want Van Vliet schrijft dat Van Amerongen hem had gevraagd om een bepaald merk tandenstokers mee te nemen. Precies dezelfde vraag had Van Amerongen aan mij gesteld toen ik hem ooit (inmiddels lang geleden) bezocht in Paraguay. Hij vertikte het toen al om zijn tanden te poetsen. Dat Van Amerongen vast zou zitten wegens rijden onder invloed komt me dan weer minder waarschijnlijk voor. In Paraguay en Bolivia was hij doodsbang in rijdende bussen of auto’s. Het lijkt me sterk dat hij daarna zijn rijbewijs zou hebben gehaald.
Het hele deel van Jong en eenzaam dat is gevuld met stoere praatjes over dronkenschap in de Algarve is een soort studentenproza. Naar de vorm van Oud en eenzaam is deze opvolger – of beter gezegd navolger – ook een soort raamvertelling met een handeling en tussendoor allerlei intermezzo’s vol herinneringen. Een duidelijke samenhang tussen de teksten ontbreekt. Er zitten stukken in die kunnen gelden als sleutelroman, waarin waar bestaande personen op de hak worden genomen. Naast de eerder genoemde Arthur van Amerongen herkennen we onder meer Tom Kellerhuis, Hafid Bouazza, Pieter Waterdrinker en Robbie Muntz. Leuk voor de ingewijde vrienden en collega’s van HP/De Tijd, maar af en toe ingewikkeld om te volgen. Reve schreef: waar gebeurd is geen excuus.
Ook studentikoos, maar niet onaardig zijn de diverse slapstickachtige situaties die worden beschreven, zoals het verbranden van dagboeken (rook en as verspreiden zich over het hele huis, doet trouwens ook weer denken aan een scene met een kachel in De avonden) en het doortrekken van een verstopte wc (water met poep stroomt de krantenredactie binnen).
Het boek is weliswaar hier en daar wat puberaal en baldadig, maar af en toe ook amusant. Eerlijk is eerlijk. Grappig vond ik bijvoorbeeld de afkerige beschrijvingen van de smartphone (‘het draagbare toverhol’ en ‘het kwaad in zak- en reisformaat, dat lokt met dwaallicht en vasthoudt met bezwering’). Raak zijn de beschrijvingen van de gekmakende bureaucratische willekeur als je een visum aanvraagt. Kafka is nog steeds actueel; ik kan erover meepraten.
Uitgeverij Prometheus mogen we aanrekenen dat de redacteur sommige slechtlopende zinnen en rare verschrijvingen (konolialisme?) over het hoofd heeft gezien. Het verkeerd citeren van T.S. Elliot verdient stokslagen.
De algehele toon van Kevin van Vliet is te omschrijven als spleen. Wikipedia noemt dat ‘een moeilijk te concretiseren gevoel van onbehagen, van onbevredigd zijn en van hunkering naar iets anders van onbestemde aard.’ Het blijft behelpen. Met al z’n autobiografische elementen en de focus op Nederland en de Nederlanders ontstijgt deze roman niet de bekende vaderlandse liefhebberij van het navelstaren.
Recente reacties