Nederlandse bestuurders tijdens de Tweede Wereldoorlog – Anne Petterson et al6 min read
Een nieuw boek met korte levensbeschrijvingen van gewone, onbekende Nederlanders die in de jaren 1940-1945 een openbaar ambt bekleedden. Het gaat om bestuurders en ambtenaren. Het boek is thematisch ingedeeld naar bestuurslaag, waarbij de meeste aandacht uitgaat naar de gemeenten, waaraan de eerste drie hoofdstukken zijn gewijd. We lezen achtereenvolgens over burgemeesters die bleven, dat wil zeggen zij die al burgemeester waren tijdens de inval van de Duitsers, NSB-burgemeesters, wethouders en ambtenaren. Vervolgens zijn er hoofdstukken over provinciebestuurders, waterschapsbestuurders, politieagenten en rechters in de oorlogsjaren.
De auteurs hebben bewust gekozen voor verhalen van buiten de Randstad, verhalen uit ‘de provincie’ dus, met een focus op Zeeland, Gelderland en Groningen. Nederland had in 1940 nog maar 8,8 miljoen inwoners, waarvan veruit de meesten buiten de grote stad woonden: ‘900 van de ruim 1.000 toenmalige gemeenten telden minder dan 5.000 inwoners.’
De ondertitel van het boek luidt: ‘Trouw aan volk, vijand en vaderland’. Het waren voor de lokale bestuurders natuurlijk moeilijke tijden. In de Canon van Nederland staat:
De uitdrukking ‘Een burgemeester in oorlogstijd’ is in de Tweede Wereldoorlog ontstaan (ik zou eerder denken na de oorlog, maar goed -JL). Hij slaat op een burgemeester die niks heeft met de nazi’s, maar toch aanblijft “om erger te voorkomen”. Bijvoorbeeld om te voorkomen dat een NSB-er op die post komt. Toch blijkt het vaak een onmogelijke positie. Waar elke keuze slechte gevolgen heeft.
Een belangrijk uitgangspunt voor bestuurders en ambtenaren werd gevormd door de zogenoemde Aanwijzingen. Deze waren in 1937 door het Ministerie van Binnenlandse Zaken verstrekt aan burgemeesters en andere bestuurders in een gesloten en verzegelde enveloppe, die pas mocht worden geopend na een eventuele bezetting door een vreemde mogendheid.
De Aanwijzingen waren gebaseerd op internationale afspraken die tussen staten waren gemaakt tijdens de Vredesconferenties van 1899 en 1907 in Den Haag. De strekking was dat bestuurders en ambtenaren na een vijandige inval op hun post dienden te blijven. Het Koninklijk Huis en de regering namen zelf na 10 mei 1940 snel de benen naar Londen, maar hun dienaren mochten, zoals in dit boek geparafraseerd, ‘in principe enkel hun taak neerleggen als de vervulling hiervan door de bezetter onmogelijk wordt gemaakt, of als de uitvoering van de taak niet langer in in het belang van eigen land en bevolking is.’
Dit werpt wel een ander licht op het vaak achteraf nogal gemakkelijke oordeel over de burgemeester in oorlogstijd. Het waren gezagsgetrouwe tijden. Vergeet ook niet dat een burgemeester die ontslag nam zijn volledige inkomen kwijtraakte (getrouwde vrouwen werkten in die tijd nog niet) en direct de ambtswoning moest verlaten, waardoor met het hele gezin op straat kwam te staan. Daarnaast zou ontslag door de Duitse machtshebbers als een verzetsdaad kunnen worden opgevat, met alle gevolgen van dien.
Daarbij komt nog dat de Duitsers zich in de eerste periode van de bezetting vaak ogenschijnlijk ‘redelijk’ opstelden, omdat ze nog dachten het ‘Arische broedervolk’ voor zich te kunnen winnen. Pas geleidelijk werd de glijdende schaal van steeds meer repressie kenbaar. Uit de verhalen in het boek, opgedoken uit archiefstukken, blijkt dat het vooral schipperen, pappen en nathouden was: misschien niet altijd meewerken, soms expres de Duitsers de verkeerde kant opsturen, maar toch ook weer niet al te openlijk tegenwerken en vaak ook wel een borreltje drinken met de Ortskommandant.
‘Getuigen zijn zelden helden; echte helden getuigen zelden,’ zong Herman van Veen (op tekst van Rob Crispijn). Nederlandse bestuurders en ambtenaren waren gehoorzaam. In heel Nederland weigerden nog geen tien ambtenaren en bestuurders om de gevraagde ariërverklaring te tekenen… In het boek worden de dilemma’s van na 1940 goed weergegeven:
Elke overheidsdienaar heeft ook in normale omstandigheden te maken met twee ‘heren’ om te dienen: enerzijds de burgers voor wiens (sic) welzijn hij is aangesteld en anderzijds zijn leidinggevenden en het regelwerk die samen bepalen binnen welke kaders hij zijn taken uitvoert. (…) Onder het bezettingsregime wordt deze ene ‘dienstheer’ van leidinggevenden, regels en procedures voor elke functionaris vele malen ingewikkelder. Zoals we zullen zien, zijn er ineens meerdere concurrerende dienstheren die tegenstrijdige bevelen geven, verboden uitspreken en nieuwe (on)geschreven regels opstellen. Een politieagent moet zich de vraag stellen wat de gevolgen voor hem persoonlijk (en zijn familie) zullen zijn als hij naar de burgemeester luistert en niet naar de commandant van de Sicherheitsdienst.
Ongeveer een jaar na de inval werden de gemeenteraden door de Duitsers opgeheven. De functie van wethouder bleef bestaan, maar deze werd gedegradeerd tot een soort assistent van de burgemeester, die verder in zijn eentje besluiten moest nemen. Burgemeesters waren tot die tijd vaak adellijke types. Hoewel de NSB in het begin maar weinig taken kreeg van de Duitsers, lukte het ze om, naarmate de tijd verstreek steeds meer posten aan partijgenoten toe te delen. Ze richtten voor dat doel een schriftelijke cursus van drie maanden in. ‘Met een goede motivatiebrief en lidmaatschap van de NSB kunnen steeds vaker ook landbouwers, arbeiders, fietsenmakers of winkeliers een gooi doen naar het burgemeestersambt.’
In sommige kleine plaatsen werden de functies van burgemeester en gemeentesecretaris gecombineerd in één persoon. Dat wist ik niet. Het boek is geïllustreerd met mooie afbeeldingen. Opvallend bij de foto’s van bestuurders: lachend poseren was er in die tijd nog niet bij. Zelfs een glimlach ontbreekt. Dat is nu wel anders. Overigens jammer dat in het boek soms dingen staan die niet verder worden uitgewerkt. Zo lezen we op pagina 164 dat de Duitsers gedetailleerde instructies gaven over de wijze van sneeuwruimen. Dat maakt nieuwsgierig. Maar de auteurs laten het daarbij. Wie de voetnoot volgt, leest: ‘Zie bijvoorbeeld RCG T302, inv.nr 502, Algemene politieverordeningen.’ Tja, daar word ik als gewone lezer natuurlijk niet wijzer van.
De waterschappen waren en zijn de meest onbekende bestuurslaag in Nederland. De Duitsers hadden ook al geen idee wat ze deden, dus lieten ze hen ongemoeid. Zelfs in dit boek staan er diverse foutjes in de tekst over de waterschapstaken. Zo staat er bijvoorbeeld dat waterschappen zich inzetten ‘voor de juiste waterstand in rivieren en andere wateren.’ In werkelijkheid kan men alleen het waterpeil binnen het door mensenhanden gecreëerde watersysteem (bijvoorbeeld in de polder) manipuleren; de waterstanden in open rivieren zijn, net als die van de zee, niet te beheersen. Ook de term ‘ingelanden’ en de benoeming van de dijkgraaf zorgen bij de auteurs kennelijk voor verwarring.
Het was oorlog, maar in Nederland ging het leven voor het grootste deel gewoon door, dat is de les van dit boek. Opportunisten grepen hun kans om wat te verdienen of een leuk baantje te bemachtigen. Na de bevrijding waren er weer andere opportunisten die de ‘zuivering’ van het lokale bestuur en ambtenarenapparaat aangrepen om oude vetes te beslechten. Het merendeel van de mensen probeerden het hoofd boven water te houden. Het was niet altijd even spannend en dat is dit boek zelf eigenlijk ook niet.
De auteurs zijn echte wetenschappers en ze proberen heel bewust objectief te blijven, los van een morele vinger over ‘goed’ en ‘fout.’ Daar zijn ze zeker in geslaagd. Tegelijk maakt dit het boek soms ook wat saai en bloedeloos. De teksten doen denken aan bijschriften in een hedendaags museum; wetenschappelijk-historisch verantwoord, maar daardoor erg droog en ‘veilig’. Dat heeft zeker te maken met het onderwerp: het bestuur en de ambtenarij in de provincie; dat is niet het meest opwindende onderwerp. En misschien is dat niet eens verkeerd.
Recente reacties