Orpheus in de dessa – Augusta de Wit4 min read

De titel Orpheus in de dessa is een schot in de roos. Het zijn twee begrippen die je niet bij elkaar verwacht, Orpheus een personage uit de Griekse mythologie, en de dessa, een dorp in Indonesië. Zoiets maakt nieuwsgierig. Iets soortgelijks is ‘Puntje puntje in de polder’, een vaak gekozen boektitel, waarbij ‘puntje puntje’ natuurlijk telkens iets anders is, of: Manhattan aan de Maas.

Die goede titel zal ook de reden zijn dat er bij veel oudere mensen nog wel een belletje gaat rinkelen, al zal bijna niemand de naam van de schrijfster nog kunnen noemen. Daarnaast was het boekje ooit populair bij scholieren ‘voor op de lijst’, omdat het zo’n dun boekje is; in dik een uur heb je het uit.

Orpheus betoverde iedereen, mensen, dieren, zelfs bomen, met zijn muziek. In haar boek uit 1903 voert Augusta de Wit hem in Nederlands-Indië op in de gedaante van een kreupel jongetje, dat ‘Si-Bengkok’ wordt genoemd, ‘de kromme’. De jongen kan heel mooi fluitspelen, in het boek vaak aangeduid als ‘pijpen’, wat door hedendaagse scholieren gemakkelijk verkeerd begrepen zou worden.

Het verhaal begint zoals bijna alle door Belanda (Nederlanders) geschreven verhalen over Indië, met een uitgebreide beschrijving van de mysterieuze tropennacht, met het zilveren schijnsel van de maan, de tamarindes (een tropische bomensoort) en exotische geluiden.

Zelden zie ik een lyrische beschrijving van een Nederlandse nacht in een roman, maar als het om Indië gaat krijgen de schrijvers er maar geen genoeg van. De tropennacht wordt altijd weergegeven als geheimzinnig en raadselachtig, maar nooit vertrouwd.

In combinatie met een groot aantal niet-vertaalde woordjes in de plaatselijke taal en Tachtigers-lyriek als ‘de lamplichte galerij’ en ‘de blank-beglinsterde suikerrietvelden’ – Augusta de Wit was een bewonderaar van Willem Kloos –  is het vanaf de eerste bladzijde weer volop tempo doeloe.

Ook het cliché van de ‘inlanders’ die niet laten blijken wat hun ware gevoelens zijn, maar intussen stiekem de boel saboteren, is in dit boekje aanwezig. Toch bedoelt de schrijfster het juist goed, want ze behoorde duidelijk tot de ‘ethici’ die tegen koloniale uitbuiting waren. Augusta de Wit werd daarvoor zelfs lid van de communistische partij (de enige partij die in die tijd officieel de onafhankelijkheid van Indonesië bepleitte), wat we haar wel kunnen vergeven, want dit was ver vóór de uitwassen van Sovjets en Mao.

Weliswaar schreef de schrijfster een echte tranentrekker met een suikerzoet verhaaltje, enigszins stichtelijk ook, ze laat wel degelijk de worsteling zien van de hoofdpersoon, die begint als idealist, dan zwaar teleurgesteld is na het ontdekken van de sabotage (zie je wel! zegt de ‘Indo’ van de boekhouding, die hem al had gewaarschuwd), maar dan uiteindelijk toch weer diep berouw heeft van zijn brute optreden na de ontnuchtering.

“Hij zal toch niet ziek zijn?” vroeg Bake den Indo.
“Ziek? Hij heeft geen zin om te komen, doodeenvoudig. Dacht je dan dat een Javaan ooit iets voor een Hollander zou doen tenzij gedwongen? Als je een poos op de fabriek bent geweest zul je wel beter weten; ze hebben nooit meer pleizier dan als de boel verkeerd loopt. Je hebt van die Hollandsche idees, humaniteit en vooruitgang en zoo,- daarmee kom je er niet, hier.

Hoewel dit klinkt als een gesprek uit lang vervlogen koloniale tijden, is het ook iets dat je nu nog zou kunnen horen in een hedendaagse multiculturele samenleving, waar verschillende groepen langs elkaar leven en er feitelijk lang niet altijd sprake is van gelijkwaardigheid. Is het een schandelijke uitspraak of is het realistisch? En wat zijn dan de dieper liggende oorzaken? Hebben we te weinig, of soms juist te veel begrip voor elkaar? Zelfs uit heel oude, moralistische boekjes kun je actuele, dus wellicht eeuwige en universele vragen putten.

Luisterend naar het fluitspel van Si-Bengkok heeft ingenieur Bake een zenmomentje:

Hij voelde zich voortgestuwd op den stroom die de werelden draagt. En de meeningen, de voornemens en begeerten, die de zelfzucht hem pas als zoo uiterst gewichtig voor zijn geluk had opgedrongen, hij liet ze varen, en zag ze heenglijden en zinken weg als verdwijnende donkerheidjes. Maar om zich heen voelde hij stuwend en steunend tallooze krachten van schoonheid en goedheid en geluk.

Mooi vond ik nog zoals Augusta de Wit de verhouding tussen het oude en het nieuwe geloof schetst. Zoals in de Zuid-Amerikaanse Andes een offer aan Pachamama, Moeder Aarde, al eeuwen prima gecombineerd wordt met de verering van de Maagd Maria, leeft ook op Java nog steeds het oude geloof naast de alom gepraktiseerde islam.

“Wie is Dewi Sri?”
“Eh! dat is zij die zorgt voor de rijst! De rijst leeft door haar geest.
“Eene godin dus?”
“Zij is zeker een godin. Hoe zou zij anders het rijstveld kunnen beschermen?”
“Maar Allah dan, Si-Bengkok, de Heer Allah die God is, en naast hem zijn geen andere Goden?”
“Allah is Heer over alles! maar Dewi Sri die zorgt voor de rijst!” antwoordde Si-Bengkok.

Het pleit voor Augusta de Wit dat ze, hoewel het verhaal zoet is, de conclusies toch aan de lezer overlaat. Ze heeft begrip voor beide kanten. Menselijk, al te menselijk. Eigenlijk zit er meer in het boekje dan je op het eerste gezicht zou denken.

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.