Oud en eenzaam – Gerard Reve7 min read
De aanleiding om dit boek weer eens te herlezen was het verschijnen van de roman Jong en eenzaam van Kevin van Vliet. Oud en eenzaam verscheen in 1978 en hoewel hij als schrijver al geruime tijd ‘wereldberoemd in Nederland’ was, was dit nog maar de vijfde roman van de ‘volksschrijver’. Gerard Reve was eigenlijk niet echt een romanschrijver; afgezien van zijn hoogtepunt De avonden blonk hij vooral uit in novellen, verhalen en brieven. En niet in de laatste plaats was hij briljant in de rol van bevraagde bij vraaggesprekken in kranten en op ‘de verrekijk’.
Dat Reve in wezen niet een romanschrijver was, blijkt als je Oud en eenzaam leest. Het plot is snel verteld: de ik-persoon ziet een jongen voorbijrijden op een brommer en gaat achter hem aan om hem te bespieden. Dat is wel een erg dun verhaaltje, dus er zijn allerlei teksten ingelast. Terwijl hij die jongen achterna loopt, heeft hij herinneringen aan de tijd dat hij in Londen woonde (intermezzo een) en aan zijn tijd in een communistisch zomerkamp waar hij was met zijn ouders (intermezzo twee). Het begint met een proloog en eindigt met een epiloog. Op drie plekken wordt het verhaal onderbroken door een gedicht, een van Edgar Allan Poe en twee van Reve zelf, waarover later meer.
De ik-persoon valt samen met de schrijver. Scholieren, excuus, studenten, opgelet: als je een uittreksel maakt voor school mag je dat nooit zeggen, want dan krijg je automatisch een onvoldoende. Maar het is in dit geval wel zo, de ik-persoon heet Gerard en allerlei feiten, zoals het verblijf in Londen, de communistische ouders en wat niet al komen overeen met wat wij weten van de auteur. Tegelijk weten wij natuurlijk dat deze Gerard Reve een rakker was die de helft erbij verzon. Dat maakt het juist zo leuk. Bij Oud en eenzaam is dat niet anders. Tussen de Proloog en het Eerste Hoofdstuk (Reve schreef alles met hoofdletters) zit een In Memoriam waarin hij naar hartelust fabuleert over de afkomst van de familie Reve. Hij en zijn voorouders waren (zogenaamd) afstammelingen van de Russische vorst Rebe von Borodino. Dat de ouders eerst geboren Russen van adellijke afkomst zijn, nota bene gevlucht voor de Russische revolutie, en later in het boek opeens overtuigde communisten is een ongerijmdheid die het in de wereld van de Reviaanse humor juist extra leuk maakt. Hij hoopte waarschijnlijk dat al te serieuze critici dat zouden ‘ontdekken’ en er verontwaardigd over zouden publiceren. Publiciteit is immers goed voor de verkoop en Reve had ook een winkel; de schoorsteen moest roken.
Mijn ouders waren van een beroemde, begaafde en aanzienlijke familie van omtrent tweehonderd personen de enige overlevenden geworden, zoals ik thans, na hun beider dood, de enige ben die is overgebleven. Titel en aanzien hebben voor mij reeds lang elke wezenlijke betekenis verloren; zo ik de titel soms meen te mogen voeren, dan doe ik zulks tot eerbiedige nagedachtenis van de doden.
Het grappige stuk over de voorvaderen in Rusland laat zien dat Gerard goed bekend was met de Russische literatuur. Misschien iets minder dan zijn ‘Geleerde Broer’ Karel, op wie hij zo afgunstig was en die hij verloochende in het hierboven aangehaalde citaat, maar toch: Gerard kon uitstekend schrijven in de stijl van de negentiende-eeuwse Russen, met liefkozende woorden als ‘oompje’ en ‘duifje’ in de dialogen en met de voor Russische literatuur zo kenmerkende aanduidingen van plaats en tijd in de trant van: Het zal ergens in het jaar … zijn geweest, toen in het provincieplaatsje R* de jonge commensaal Gerard Iwanowitsj zich eens goed uitrekte (overigens begint De avonden al met zo’n soort zin).
In schril contrast met de archaïsche stijl, waarin bijvoorbeeld ‘hij zette zijn glas neer en zei hallo’ wordt: ‘hij zette zijn glas neder en zeide hallo’, staat die verschrikkelijke jaren ‘70-spelling met woorden gespeld als ‘funksie’, ‘situaatsie’ en ‘plestik’.
Als dan het Eerste Hoofdstuk begint, duurt het natuurlijk niet lang of Gerard ziet op straat een schooljongen, met een ‘even verlegen als brede mond’ en ‘onder de dunne stof van zijn broek duidelijk de aftekening (…) van zijn iets gebogen, geduchte liefdesdeel dat zo fors en wreed geschapen was dat hij, zo jeugdig als hij nog mocht zijn, er waarschijnlijk nu reeds een jongen of meisje krankzinnig mede zou kunnen maken van lust of van pijn, of van beide, als hem dat zou behagen’. Ja hoor, we zijn er weer, verzucht de lezer.
Een opvallend stijlkenmerk van Reve in Oud en eenzaam (en andere boeken) wordt gevormd door de vele vragen die de schrijver zichzelf stelt in diens innerlijke dialoog. Hij wil bijvoorbeeld die jongen achterna, gaat daar tot vervelens toe over fantaseren en vraagt dan: Zoude ik eerst andere kleren aantrekken? Of toch maar niet? Ik was nog niet te laat, maar wat wilde dat eigenlijk zeggen: ‘nog niet te laat?’ Enzovoorts en zo verder, het gaat maar door. Zo staan er diverse bladzijden vol vraagtekens en eindeloze beschrijvingen van bijna niets. Dit is wat ik bedoel met ‘Reve is geen romanschrijver’: hij schrijft hier gewoon om de bladzijden tussen de intermezzo’s te vullen en meer niet. Ik zeg het maar gewoon zoals het is. Bondigheid en helderheid van betoog, vooral dat eerste, is niet direct iets waar je aan denkt bij het lezen van dit boek. Handelingen en gebeurtenissen die hooguit een halfuur duren worden uitgesmeerd over vele bladzijden en hoofdstukken.
Hele lappen tekst worden gewijd aan beschrijvingen van ontuchtige handelingen met een ongezonde sadistische inslag, inclusief gefantaseer over vernederingen en martelingen. In de vrije jaren ‘70 moest je dat natuurlijk erg geestig vinden, anders was je bekrompen en burgerlijk, maar het heeft de tand des tijds niet doorstaan wat mij betreft. Eigenlijk is het gewoon ziek. In Oud en eenzaam geeft Reve een verklaring voor deze perverse neigingen: deze zouden zijn veroorzaakt door een referaat van ene mr. A.S. de Leeuw tijdens een communistisch zomerkamp, waar hij als jongen mee naartoe was genomen door zijn ouders. Dat blijkt overigens een werkelijk bestaande persoon te zijn geweest, lid van het partijbestuur van de Communistische Partij Nederland (CPN). Reve lijkt te menen dat hij werkelijk door het horen van die toespraken aan zijn afwijking (dat wil zeggen, zijn perverse fantasieën over seksuele folteringen) is gekomen, maar bij hem weet je het nooit helemaal zeker.
Het intermezzo over Londen is aardig, vooral om de tragische zinloosheid van het streven van de personages, maar inhoudelijk het meest interessant vond ik het deel waarin hij, bij herinneringen aan zijn jeugd als kind van communistische ouders, op overtuigende wijze zijn bezwaren tegen die verderfelijke dwaalleer uiteenzet. Het communisme, schrijft Reve, is ‘in wezen nauwelijks een politiek systeem (…) te noemen, maar veeleer een straf georganiseerde, uiterst agressieve vorm van misdaad onder een menslievend voorwendsel’. Hij gaat verder: ‘Heel veel mensen – en veel meer dan wij durven vermoeden – koesteren een diepe verering voor geweld en onderdrukking, en haten de vrijheid van denken, onderzoeken en scheppen.’ De waarheid van die observatie kunnen we nu nog dagelijks zien. Het communisme is zeker niet dood en steekt onder andere benamingen voortdurend weer de kop op.
Deze leer is een vergroofde en vereenvoudigde copie van het orthodoxe christendom, met dezelfde doodsangst voor het gevoel en de zinnelijkheid, en dezelfde verachting en haat jegens alle kunst en elke beoefening van wetenschap die niet stichtend, dat wil zeggen nuttig is voor de verbreiding van de leer. Die leer noemt zich vooruitstrevend, maar streeft in werkelijkheid geen enkele verbetering van de maatschappij na, en heeft ook nergens op aarde een menswaardige samenleving tot stand kunnen brengen. Het enige doel is het met alle middelen – ethisch geoorloofd of niet – veroveren, behouden en uitbreiden van de macht, en het met ongebreideld, onmenselijk geweld en terreur tot zwijgen brengen van de stem van iedereen die aan de leer durft te twijfelen.
Na deze zinnige woorden over het communisme gaat de dunne verhaallijn van de roman, met Gerard die nog steeds die jongen achterna loopt, weer tergend traag verder. Bij Reve is het zo dat je hem als publieke persoon moet kennen, met de humor en tegendraadsheid die hij vertoonde. Met dat beeld voor ogen kun je hem als schrijver veel vergeven; zonder dat is het larmoyante, kinderachtige onzin. Ik snap ook heel goed waarom Reve weinig is vertaald en in het buitenland nooit succes heeft gehad; een roman als deze is niet bepaald wereldliteratuur.
Om toch positief te eindigen – want zo ben ik – hieronder het op een willekeurige plek door Reve ingelaste gedicht dat wat mij betreft het hoogtepunt vormt van dit boek:
Avondrood
Eens was ik jong en schoon.
Vrouwen die met mij dansten werden in mijn armen
medegevoerd tot duizelingwekkende hoogten.
Nu gaat niets meer omhoog:
het enige dat stijf staat zijn mijn gewrichten.
Ach, waar zijt gij gebleven
zoete, bittere, onstuimige jeugd?
Recente reacties