Reis naar Java – Harold Nicolson3 min read

Voor zijn zeventigste verjaardag kreeg de toen bekende schrijver, diplomaat en societyfiguur Harold Nicolson van zijn vrienden een cheque aangeboden die hij besteedde aan een reis naar Java met het stoomschip de Willem Ruys van de Rotterdamse Lloyd.

De reis, heen en terug, duurde twee maanden en waren volgens de schrijver de heerlijkste van zijn leven. Zijn logboek werd uitgegeven en vertaald onder de naam Reis naar Java.

Het boek bestaat uit losse observaties en bespiegelingen, die mij als lezer op mijn beurt aanleiding geven tot de mijne. Mijn grootouders maakten ooit een dergelijke zeereis, naar hun zoon in Australië. Een paar Afrikaanse snuisterijen herinneren nog aan die reis om de wereld.

De lome tijdloosheid van een lange zeereis… ik krijg er zin in als ik erover lees. De quarantaine van de coronatijd in 2020/21 doet me er aan denken. Mijn eigen reis naar Java ging een stuk sneller met het vliegtuig, maar de charme van zo’n zeereis kan ik goed begrijpen.

Op het moment van schrijven kijkt Michael Palin bij de BBC terug op de grote reizen die hij vroeger maakte voor de televisie. Een Britse heer in den vreemde, het sluit mooi aan bij dit boek, al stel ik me Harold Nicolson eerder voor als een soort Boris Johnson.

In elk geval was Harold Nicolson een heer van stand. Geld speelde geen rol en hij had volop gelegenheid om zijn door kruiers aangedragen scheepskist vol boeken te raadplegen en daarbij luchtig te mijmeren over Confucius, Nicodemus en vooral de zwaarmoedigheid:

Zo beschouw ik de geestelijke luiheid als de voornaamste oorzaak van de zwaarmoedigheid, omdat het een gevoel van tekortkoming geeft en zodoende leidt tot zelfverwijt, vervolgens schuldbesef en uiteindelijk angst.

Omdat Nicolson en zijn vrouw met een Nederlands schip reizen, zitten er een paar interessante observaties in over Nederland en de Nederlanders:

Ik had altijd het idee dat de Nederlanders rustig en waardig waren; maar nee, bij bepaalde gelegenheden geldt juist: hoe meer lawaai hoe liever.

Op de verjaardag van prinses Margriet trakteert de kapitein op ‘oranjeachtige drankjes’, wat natuurlijk oranjebitter is. En de goeling (Indisch rolkussen) die ze op Java krijgen, noemt Nicolson ‘a Dutch wife.’

De opmerkingen over de Indonesische bemanning zijn helaas, naar de gebruiken van die tijd, enigszins denigrerend en racistisch. Inclusief die onderhuidse angst van de koloniaal voor inheemse mensen die mij altijd zo verwondert. ‘Ze lachen altijd wel, maar als je niet oplet, snijden ze je keel door,’ zoiets. Zeer eigenaardig, maar kennelijk typerend voor kolonisten. Mijn hypothese is nog altijd dat deze denkbeelden vooral voortkwamen uit onzekerheid en een slecht geweten.

Interessanter zijn Nicolsons uitingen over de Indonesische politiek van toen. De republiek was nog maar net onafhankelijk.

Mijn zegsman verzekert mij dat ieder weldenkend mens hoopt dat president Soekarno, of de populaire vice-president dr. Hatta, zal inzien dat de Indonesiërs niet rijp zijn voor zelfbestuur of een parlementair stelsel, en een vorm van dictatuur of ‘regeringsraad’ zal instellen om een eind te maken aan de situatie die onvermijdelijk zal uitlopen op algemene chaos en bankroet.

De algemene opinie was – en niet geheel zonder reden – dat een dusdanig uitgestrekt en cultureel divers eilandenrijk als Indonesië onmogelijk met uitsluitend democratische rechtstatelijke middelen bijeen kon worden gehouden. Dat de centrale regering in Jakarta er tot op de dag van vandaag zo over denkt, is voor de Papoea’s en Molukkers nog altijd merkbaar.

Dit vind je misschien ook leuk...

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.