Zo de ouden zongen… – S. Vestdijk7 min read
Af en toe krijg ik zin om weer eens een roman van Vestdijk te lezen. De complete verzamelde romans staan in de kast en tamelijk willekeurig pakte ik deze keer nummer 42 eruit; geschreven in 1964, een jaar later uitgegeven. Op het titelblad: Zo de ouden zongen… en daaronder met vulpen geschreven: ‘…piept Jeroen Louis, 27 september 1990’. Deze heb ik dus al een tijdje. Vrijwel zeker heb ik hem destijds ook gelezen, maar ik kon me er niets van herinneren. Ook bij deze tweede lezing niet.
Eerlijk gezegd had ik het boek bijna weer terug gezet toen bleek dat het weer een ‘Harlingen-Lahringen’-boek is. Het gaat dan wel niet over Anton Wachter, maar het speelt wel in de bekende setting van het provinciestadje (zij het niet met name genoemd) waarin Vestdijk opgroeide, en dat met zijn jeugdbelevenissen zo’n bijna onuitputtelijke bron van inspiratie voor zijn schrijverschap vormde. Gelukkig zette ik ook deze keer door en daar kreeg ik geen spijt van. Er staan weer een paar hele fijne passages in en het geeft een mooi tijdsbeeld van het leven van ruim een eeuw geleden.
Zo is daar het belangrijke probleem van wie wel en wie niet te groeten. Voor Roel Starmans, de jonge hoofdpersoon, hangt dat af van de status van de stadsgenoot ten opzichte van die van zijn eigen vader, die directeur van de ambachtsschool is. Staat de eigenaar van de boekwinkel hoger of lager in de hiërarchie? Dan scheelt het nog wie het eerst groet en op welke manier: de pet afnemen of enkel een knikje met het hoofd. Roel groet in geen geval werklui.
Van de ambtenaren op het gemeentehuis had men ook honderd jaar geleden ook al geen hoge pet op:
‘Je kunt praten en praten, ze luisteren naar je als naar een orakel, en als je er dan later op terugkomt, dan blijkt dat je verzuimd hebt je praatjes op gezegeld papier te zetten.’
‘Ja, het zijn dienstkloppers,’ zuchtte meneer Overeem.
‘Dat wil ik niet zeggen. Ik bedoel: dat wil ik niet gezegd hebben. Ik ben heel goed met die mensen.’
Meneer Overeem lachte.
‘Het is een aparte sfeer met die mensen,’ zei mijn moeder, ‘wat stoffig…’
‘Om te niezen,’ bevestigde meneer Overeem, ‘vooral tegenwoordig. In mijn jeugd was dat anders. Jullie hebben de oude burgemeester Bronners niet meer gekend, nou, die wist niets van de gemeentewet af, en daar stelde hij een eer in. Dat noemde hij uitvindingen. Blijf me van mijn lijf met jullie uitvindingen.’
Bij Vestdijk denken weinig mensen aan humor, wat ik onbegrijpelijk vind. Want Vestdijk heeft veel humor in zijn beschrijvingen en bij het lezen moet ik vaak grinniken. Het is natuurlijk wel subtiele humor, vol ironie. Misschien dat velen daar geen goede antenne meer voor hebben. Grappig genoeg las ik nadat ik dit schreef een recensie van Johan van der Woude, die op 20 november 1965 is geplaatst in het Dagblad van het Noorden. Johan van der Woude concludeert: ‘[Vestdijk] schrijft zo’n boek (en je leest het) al grinnekend.’ Hij gebruikt nota bene hetzelfde woord (al spelt hij het als ‘grinnekend’, maar misschien is dat Gronings). Ik ben dus toch niet de enige die het zo ziet. Tussen haakjes: dezelfde Johan van der Woude schreef een mooie biografie van Maria Dermoût.
In het verhaal wordt Roel Starmans verliefd op Jantine Schurink, het nichtje van een aannemer met wie zijn vader ruzie had. Vestdijk had haar personage gebaseerd op een schoolgenootje uit zijn jeugd, dat in werkelijkheid Ine Schurer heette. Voor Maarten ‘t Hart is Jantine ‘veruit de meest geslaagde vrouwenfiguur die Vestdijk heeft geschapen.’
Hoe haar gezicht was had ik nog steeds niet kunnen zeggen, ik wist alleen, dat het een gezicht met een mond was, en wel een grote mond. Wel herinner ik mij enkele woorden, of kreten, met die keelstem: ‘Kom’s.’ ‘Je ben gék.’ ‘Kammeniksschele.’ ‘Malle.’ ‘Daar hebben wíj niks mee te maken, niet.’ Verder haar bewegingen onder het hollen of stoeien, die aan een dronkeman of een circusclown deden denken, maar ook aan een spin of een hooiwagen, die de toeschouwer tart hem een poot uit te trekken. Armen en benen graaiend en maaiend, slecht gecoördineerd als van een spichtige jonge hond, en als ze gewoon liep, – nu ja, gewoon, – schommelde of waggelde ze, alsof ze iets aan de heupen had. Een vitaal kind was het zeker, en natuurlijk erg jong, te jong eigenlijk voor een behoorlijke school. Toch zei men, dat ze al vijftien was. Voor het toelatingsexamen voor de h.b.s. scheen ze een keer gezakt te zijn.
Vestdijk heeft in deze roman ook die keer verwerkt waarbij hij als jongen uit Harlingen werd geconfronteerd met een echte Rotterdamse.. Zij was nieuw in het stadje en kwam kennismaken met Roels moeder. Op de gang lopend, hoorde hij haar stem al en daarbij werd hij voor het eerst van zijn leven geconfronteerd met een Rotterdamse tongval:
Het was een geluid, waartegen men een zekere vulgariteit zou kunnen aanvoeren maar dat zo klankrijk was als een klok, zo krachtig en enthousiast als een herauts trompet, en daarbij vol emotionele trillingen, gonzingen, bijna snikkende boventonen, die mij buitengewoon aantrekkelijk voorkwamen, alsof daar een heel mooi lied ten beste werd gegeven, dat dan wonderlijk genoeg alleen maar gewoon spreken bleek te zijn. Dit georgel en gegorgel – een heel natuurlijk geluid ook, moeiteloos voortgebracht – mocht ik mij niet laten ontgaan, en om de voortbrengster zo mogelijk in haar schoonste triller te verrassen liep ik zonder te kloppen met een vaartje de kamer in.
De hoofdpersoon van deze roman is dus Roel Starmans, die terugblikt op de tijd waarin hij opgroeide als jongen van twaalf tot een jaar of achttien. Daarbij staat Roels ontluikende interesse in meisjes centraal. Dat gaat dan op die typisch Vestdijkiaanse manier, die we kennen van Anton Wachter, waarbij hij altijd verliefd wordt op wat rare, lelijke meisjes, en waarbij de katjes flink worden geknepen in het donker.
De stoeipartijen in het gras en in donkere steegjes worden steeds ‘volwassener’ en op een gegeven moment ervaart Roel dat hij ‘leegstroomt’ en daarbij sterretjes ziet. Het was een bepaald ‘goed’ dat hij verloor, maar hoe het heette, wist hij niet. Zijn vrienden wisten het evenmin, maar Jantine kwam na een tijdje met de mededeling dat het afgelopen moest zijn, want het ‘goed’ van Roel kwam uit zijn ruggenmerg en een te groot verlies van deze lichamelijke krachten of stoffen zou zijn dood kunnen inluiden.
Gelukkig had een van Roels vrienden een oudere neef, Frans Delteil, die medicijnen studeerde in de stad. Deze werd per brief om inlichtingen gevraagd en het antwoord kwam per kerende post, met tekeningen erbij:
Om geen twijfel te doen opkomen had hij overal ‘ruggemerg’ bijgezet, dit woord weer doorgestreept, en het vervangen door ‘testikel’, ‘vas deferens’, ‘prostaat’, ‘urethra’ en zo meer, en mij voor ‘goed’ het woord ‘sperma’ in de schoot geworpen, met een apart tekeningetje, dat krioelende beestjes met staarten voorstelde. Van huis uit was Frans Delteil geen humorist; van dit medisch document was stellig meer te maken geweest; maar Wim Paardt zorgde wel voor de rest, en probeerde mij bang te maken voor het verlies van levend gedierte (met staarten), voor het bestaan en het onderhouden waarvan misschien wel tien hardgekookte eieren nodig waren.
Richtte Simon Vestdijk aan het begin van zijn schrijverschap een monument op voor de hoofse liefde, met Terug tot Ina Damman, als vijfenzestigjare – sadder and wiser? -schreef hij met Zo de ouden zongen… een soort aardse tegenhanger, zonder verheven idealen, maar vol bedrog, overspel en vuige handelingen. De overeenkomst is dat beide verhalen spelen in hetzelfde decor. Een aardig detail is dat de serre, die Roels vader in deze roman aan het huis laat bouwen, na meer dan honderd jaar nog bestaat. Je kunt hem zien in Harlingen en op Google Street Viewer. Dat was dus een degelijke constructie. Het bewijst weer eens hoe Vestdijk autobiografische elementen verwerkte in zijn romans.
Voor Maarten ‘t Hart is dit een van zijn favoriete boeken, zo las ik in Het gebergte. Dat komt denk ik vooral omdat Maarten destijds in 1965, als kersverse liefhebber in de bevattelijke leeftijd van eenentwintig jaar de opwinding mocht smaken smaakte om een nieuwe, net uitgekomen Vestdijk te mogen lezen. Bij mij persoonlijk komt Zo de ouden zongen… niet in mijn Vestdijk-top tien, maar desondanks stelt het boek beslist niet teleur.
Recente reacties